De Goudstikker-affaire, hoe zat het ook alweer?

Circa 1.200 schilderijen van de Amsterdamse kunsthandelaar Jacques Goudstikker kwamen in 1940 in handen van de Duitsers. Na 1996 ontspon zich een lange juridische strijd over de schilderijen.

1. Wie was Goudstikker?

Jacques Goudstikker (1897-1940) was een joods-Amsterdamse kunsthandelaar, met een zaak aan de Herengracht. Vier dagen na de inval van de Duitsers vluchtte hij met zijn echtgenote, de Weense zangeres Dési von Halban, en hun 1-jarige zoon Edouard, op een vrachtschip schip naar Amerika. Hij liet daarbij al zijn eigendommen, ook zijn kunstvoorraad van circa 1.200 schilderijen, achter. Kort na vertrek van het schip kwam Goudstikker bij een val om het leven. Zijn weduwe had alleen nog het zwarte leren notitieboekje waarin hij zijn bezittingen had beschreven.

2. Hoe kwam zijn collectie in handen van de Duitsers?

Bij de kunsthandel in Amsterdam meldde zich in 1940 de Duitser Alois Miedl, een bevriende relatie van rijksmaarschalk Hermann Göring. Hij dwong de achtergebleven personeelsleden van Goudstikker om hem het bedrijf te verkopen, inclusief al het onroerend goed dat aan de familie toebehoorde. De voorraad schilderijen werd verkocht aan Göring, die hiervoor 2 miljoen gulden betaalde.

3. Hoe verliep de restitutieprocedure direct na de oorlog?

De schilderijen werden na de oorlog door de geallieerden teruggevonden in Duitsland en teruggestuurd naar Nederland, waar ze onder beheer kwamen van de Stichting Nederlands Kunstbezit. Oorspronkelijke eigenaren konden tot 1 juli 1951 een rechtsherstelverzoek indienen bij de Raad van het Rechtsherstel om hun schilderijen terug te krijgen. De weduwe-Goudstikker eiste op advies van haar juristen wel het onroerend goed en andere bezittingen terug die Miedl had gekocht, maar niet de kunstcollectie die Göring had meegenomen. In 1952 trof zij over het Miedl-deel een schikking met de Nederlandse staat. De kunstcollectie bleef zo in handen van de Nederlandse staat.

4. Wie zijn de ‘erven-Goudstikker’?

Dat is Marei von Saher, de schoondochter van Goudstikker. Zij was getrouwd met zijn zoon Edouard. Haar schoonvader heeft zij nooit gekend, haar schoonmoeder wel. De weduwe-Goudstikker overleed in 1996. Von Saher, die vond dat haar schoonmoeder onrecht was aangedaan, spande in 1996 een rechtszaak aan tegen de Nederlandse staat, waarbij ze de kunstwerken die onder dwang aan Göring waren verkocht, alsnog opeiste. Deze zaak werd uiteindelijk door het Hooggerechtshof in Den Haag verworpen, omdat de claim niet voor het verstrijken van de deadline in 1951 was ingediend.

5. Hoe kreeg Von Saher de schilderijen uiteindelijk toch terug?

De door de regering ingestelde Commissie-Ekkart oordeelde in 2001 dat de afhandeling van restitutieverzoeken kort na de oorlog „legalistisch, bureaucratisch, koud en vaak zelfs ongevoelig” was geweest. Vervolgens werd er een Restitutiecommissie ingesteld, die in 2005 oordeelde dat er in de zaak-Goudstikker geen rechtsherstel had plaatsgevonden en adviseerde de werken terug te geven. De regering was het niet eens met het oordeel van de Restitutiecommissie, maar besloot in 2006 niettemin om 202 kunstwerken aan Von Saher terug te geven op ‘morele gronden’. Daarna werd het voor haar makkelijker om schikkingen te treffen met musea en kunstverzamelaars overal ter wereld.

5. Wat heeft Von Saher met de teruggekregen werken gedaan?

Om haar advocatenkosten te betalen, heeft zij veel werken laten veilen. Vorig jaar nog werden er 24 verkocht via Christie’s in New York, voor omgerekend 700.000 euro. Eerder al verkocht zij voor circa 35 miljoen euro aan werken uit de collectie. In enkele gevallen heeft zij werken terug verkocht of in bruikleen gegeven aan de musea die ze restitueerden.