Amerikaanse rechter: museum hoeft schilderijen Goudstikker niet terug te geven

Het Norton Simon Museum in Pasadena hoeft een waardevol middeleeuwse tweeluik niet te restitueren aan de erfgename van de, mogelijk, oorspronkelijke eigenaar.

Het zoveelste hoofdstuk in de zaak-Goudstikker.

Het Amerikaanse Norton Simon Museum hoeft twee waardevolle schilderijen van Lucas Cranach de Oude niet te restitueren aan de erfgenamen van de Joods-Amsterdamse kunsthandelaar Jacques Goudstikker (1897-1940). Zijn schilderijenvoorraad werd aan het begin van Tweede Wereldoorlog onder dwang verkocht aan nazitopman Hermann Göring.

De federale rechter in Californië oordeelde deze week dat het museum in Pasadena rechtmatig eigenaar is van Cranachs tweeluik Adam en Eva uit circa 1530.

Dat is een tegenvaller voor Marei von Saher, schoondochter van Goudstikker en enige erfgename. Zij probeert al jaren alle 1.200 werken, die over de wereld verspreid zijn geraakt, terug te krijgen. Sinds een besluit van de Nederlandse regering in 2006 om „op morele gronden” 202 werken aan haar terug te geven, slaagde ze, via schikkingen met internationale musea en verzamelaars, erin meer werken terug te krijgen. Het Norton Simon Museum in Pasadena liet het als enige op een rechtszaak aankomen. Dit museum krijgt nu gelijk van de Amerikaanse rechter.

Het museum kocht de panelen in 1971 voor 800.000 dollar van een nazaat van de Russische familie Stroganoff. Deze had het tweeluik vijf jaar eerder voor 60.000 gulden (ruim 27.000 euro) gekocht van de Nederlandse staat. De werken waren in Nederlands bezit gekomen doordat ze door de geallieerden in Duitsland waren aangetroffen in een van de kunstdepots van de nazi’s. Ze werden aan Nederland overgedragen om teruggegeven te worden aan de oorspronkelijke eigenaren. De weduwe van Jacques Goudstikker zag er destijds van af om de collectie op te eisen. Zij overleed in 1996.

Schikking liep spaak

Schoondochter Von Saher begon de rechtszaak tegen het Californische museum in 2007, nadat ze er in 2000 achter was gekomen dat de schilderijen van Cranach zich daar bevonden. Aanvankelijk probeerde zij tot een schikking te komen. Toen dat op niets uitliep, stapte ze naar de rechter.

In 2006 werd de waarde van het tweeluik getaxeerd op 28,3 miljoen dollar. Inmiddels is het volgens deskundigen op het gebied van Oude Meesters 40 tot 50 miljoen dollar (35 à 45 miljoen euro) waard.

De uitspraak ten gunste van het museum in Pasadena betekent niet het einde van de slepende rechtszaak. „Het moge duidelijk zijn dat mevrouw Von Saher teleurgesteld is over het besluit van de rechtbank en dat ze van plan is om een beroep in te dienen”, laat Von Sahers advocaat Frank Lord weten. Hij wijst erop dat vele andere musea, kunsthandelaren en particulieren die kunstwerken uit de collectie-Goudstikker in hun bezit hadden, wel „het juiste” hebben gedaan en de werken aan haar hebben teruggegeven zonder dat een gang naar de rechter nodig was.

Het Norton Simon Museum laat weten verheugd te zijn dat de rechtbank nu eindelijk heeft bevestigd dat het „de rechtmatige eigenaar is van de panelen”. Het museum benadrukt dat het zich bewust is van de verantwoordelijkheid die het bezit van deze belangrijke kunstwerken betekent. „We hebben de panelen sinds 1971 vrijwel voortdurend voor het publiek tentoongesteld en dat zullen wij ook de komen jaren blijven doen.”

De familie Stroganoff

De rechtszaak werd gecompliceerd doordat er een tweede, oudere restitutiekwestie doorheen speelt. De twee Cranachs die Goudstikker in 1931 voor 58.500 gulden op een veiling in Berlijn had gekocht, werden in de jaren zestig bij de Nederlandse regering opgeëist door een nazaat van de Russische Stroganoffs. Hij stelde dat de werken aan zijn familie toebehoorden en door de Sovjetregering waren geconfisqueerd en verkocht. Bewezen is dit nooit. Er waren ook aanwijzingen dat het tweeluik door de bolsjewieken was geconfisqueerd uit een kerk in Kiev. De schilderijen zouden in dat geval slechts tegelijk zijn geveild met de bezittingen van de Stroganoffs.

Omdat de Stroganoffs dreigden met een slepende rechtszaak, die de Nederlandse staat mogelijk veel geld zou kosten, stemde de Nederlandse regering er in 1966 mee in de Cranachs en een ander schilderij voor 60.000 gulden aan de familie te verkopen. Een belangrijke overweging voor Nederland was hierbij dat de Stroganoffs met deze schikking afzagen van een claim op Rembrandts schilderij ‘Titus in monniksdracht’ (1660), dat Nederland zeer graag wilde behouden.

Volgens Von Saher had Nederland de Cranachs nooit mogen verkopen. Nederland had de werken volgens haar slechts tijdelijk onder zijn hoede, met de opdracht ze terug te geven aan de eigenaren van voor de oorlog. Dat de Sovjetregering de schilderijen mogelijk van de Stroganoffs roofde, moest volgens haar buiten beschouwing worden gelaten, aangezien deze onteigeningen, die op grote schaal plaatsvonden, inmiddels internationaal als een voldongen feit zouden zijn geaccepteerd. Bovendien zouden restitutieclaims van Holocaust-slachtoffers voorrang moeten krijgen boven alle andere restitutiekwesties.

Moegestreden

De uiterste termijn voor oorlogsgedupeerden om hun bezittingen terug te eisen, verliep in 1951. Volgens Von Saher zag haar schoonmoeder ervan af om de schilderijen op te eisen, omdat zij moegestreden was en meende dat zij toch geen eerlijke behandeling zou krijgen bij de Nederlandse overheid.

Maar volgens het Norton Simon Museum had de weduwe er in 1951 zelf belang bij om de collectie niet op te eisen. Goudstikker had in de oorlog 2 miljoen gulden ontvangen voor de transactie met Göring. Om de gedwongen verkoop ongeldig te maken en de schilderijen terug te krijgen, zou de weduwe Goudstikker een proportioneel deel van dit bedrag hebben moeten terugbetalen. Dat geld zou dan toevallen aan de Nederlandse staat, zoals met veel vermogenswaarden van de nazi’s gebeurde.

De directeuren en adviseurs van de kunsthandel die de weduwe Goudstikker in 1951 bijstonden, stelden dat veel schilderijen inmiddels een lage marktwaarde hadden en dat er na het overlijden van haar man niemand in het bedrijf was overgebleven die in staat was de kunsthandel voort te zetten.

De Amerikaanse rechter heeft veel argumenten van beide partijen terzijde geschoven en gaf slechts een oordeel over de vraag of Nederland na 1951 rechtmatig eigenaar was geworden van de schilderijen en gerechtigd was om ze te verkopen, aan wie dan ook.

Dat is volgens de rechter het geval. Hij baseert zich hierbij op de wetsbesluiten die door de Nederlandse regering in oorlogstijd waren vastgesteld. Daarbij werd Nederland bij wijze van herstelbetaling voor geleden oorlogsschade automatisch eigenaar van alle goederen van Duitsers op zijn grondgebied, tenzij deze bezittingen volgens de regels van het rechtsherstel werden opgeëist door de oorspronkelijke eigenaren.

De Amerikaanse rechter stelt dat hij, anders dan de Nederlandse regering, een „strikt juridische” benadering moet volgen. Deze rechter laat zich niet in met de politieke en morele overwegingen van de Nederlandse regering uit 2006.