Debiel

©

‘Jij bent jarig geweest!”, riep onze krantenbezorger Marco in de kinderwagen. Hij zwalkte na gedane arbeid weer eens in kennelijke staat over de stoep. Ik schatte hem nog geen dertig. Omdat hij bijna geen tanden meer in zijn mond heeft werd hij door iedereen in Betondorp ‘krantje-tandje’ genoemd.

„Jahaa!”, herhaalde hij zichzelf tegen de dochter die niet op of om keek. „Jij bent jarig geweest… Dat weet ik heel zeker.”

Hij wist het zo goed omdat zijn buurvrouw, ‘die zigeunerin’, vorig jaar een paar dagen na ons ook was bevallen.

Van een jongetje: Jeffrey.

Hij scrollde door zijn telefoon en liet foto’s zien van een knaapje in een Ajax-shirt dat wijdbeens op het gras zat.

„Zie je dat? Net zo blond als dat ik ben. Als ik hun tuin in loop komt hij meteen op me af. Dus dat is zo duidelijk als wat…”

„Als wat?”, vroeg ik.

„Nou dat-ie van mij is. Mijn moeder was het ook opgevallen, die zei: ga maar eens met je buurvrouw praten want volgens mij ben ik stiekem gewoon oma. Die kleine is van ons.”

Nou, dat had hij gedaan.

„Toen die man een keer weg was heb ik gezegd: ‘Ik weet het niet hoor, maar als ik Jeffrey zie is het net alsof naar m’n eigen kijk. Heel apart.’”

Na wat hoofdrekenen - „Op internet zeggen ze het ook, er is altijd wel een of twee weken speling” - hadden ze samen de conclusie getrokken dat 1 + 1 best wel eens 3 kon zijn. Sindsdien bracht hij regelmatig cadeaus naar de andere kant van de schutting.

„Een bal, dat Ajax-shirtje dus, een doos K’nex… Laatst had ik macaroni over, dat lustte hij ook. Die man van haar heeft niets in de gaten, dan ben je toch een debiel?”

Hij richtte zich tot de dochter.

„Dan ben je toch een debiel, of niet?”

Tegen mij: „Zij vindt hem ook een debiel, anders zit ze niet zo te knikken.”

Een paar dagen later zag ik de debiel bij de crèche.

Terwijl ik de dochter van de trampoline plukte, waarop ze in een hoekje helemaal alleen zichzelf zat te zijn, propte de vader zijn zoon met veel lawaai in een kinderwagen.

„Hoe ging het?”, vroeg hij aan een van de leidsters.

„Goed”, zei ze, „maar we moeten ‘m goed in de gaten houden want hij gooit met alles.”

„Dat doet z’n moeder ook”, zei de debiel. „Van mij heeft hij het niet.”

Marcel van Roosmalen heeft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.