Volle bak aangaan

EEFSBALK. Een lezer schreef: „Volgt u het taalgebruik van de commentatoren bij De Spelen? Er komen veel lange woorden en woordcombinaties voorbij. Als je die vaak moet uitspreken, ga je ze kennelijk inkorten. Voorbeelden: Nederland, Olympische Spelen, evenwichtsbalk. Lastig. Dat wordt dan: Neeland won op de lympspele de eefsbalk!”

VOLLE BAK AAN. Je hoeft niet lang naar De Spelen te kijken om vast te stellen dat sporters, sportverslaggevers en sportcommentatoren een eigen jargon gebruiken. Dan heb ik het niet speciaal over vaktermen bij bepaalde sporten – amplitude bij turnen bijvoorbeeld – maar over zinnen als: „Nu moet ze volle bak áán”, „het beste was eraf” en „de pijp was helemaal leeg”.

Volle bak aangaan betekent ‘alles geven was je in je hebt’, maar als dat niet lukt – omdat het beste er al af was bijvoorbeeld – dan zou dat kunnen komen doordat de pijp al leeg was. Ik hoorde deze metaforen overigens bij het baanwielrennen, dus er was geen echte pijp in beeld.

Het aardige van dergelijke sporttaal is dat de beeldspraak binnen de context goed te volgen is, maar daarbuiten niet of nauwelijks. Dat is althans mijn veronderstelling. Ik zou de lezers van deze rubriek willen oproepen om bijvoorbeeld tijdens een vergadering eens te zeggen „ja, dan moet je dus volle bak áán” om vervolgens te rapporteren of dit wel of niet werd begrepen.

NAHUPJE. Mijn favoriete turnwoord is nahupje. Op de rekstok kun je een koning zijn, de perfectie zit ’m in de landing. Daarbij mag je niet te diep door de knieën gaan, begrijp ik, en je moet in één keer met beide voeten op de mat blijven staan. Een stap(je) naar voren heet een nahup(je) en zorgt onverbiddelijk voor puntenaftrek.

Wie dit ooit heeft verzonnen weet ik niet, maar het komt mij vreemd voor. Het is alsof een restaurant pas drie sterren kan krijgen als je bord aan het eind van de maaltijd in één vloeiende beweging, zonder een enkele hapering, wordt weggehaald.

Hoewel we al tientallen jaren horen en lezen over de nahup, blijkt dit woord nog niet in de Dikke Van Dale te staan. Ik vond het voor het eerst in 1988 in de Leeuwarder Courant, in een bijdrage van Eppie Dam. „Wat het turnen betreft”, schreef Dam indertijd, „betekende Seoul het definitieve afscheid van de nahup. (…) De hedendaagse topturner is een molenwiekend standbeeld dat, na enkele geprogrammeerde rotaties, neerdaalt op zijn sokkel. Het stort zich loodrecht in een kuip cement, waarvan de inhoud zich in tienden van seconden rond de enkels sluit.”

Beter dan dat kan ik het niet formuleren.

LONKENDE MEDAILLES. Ook in de geschreven sportjournalistiek valt er veel te genieten. Er zijn mensen die prachtig over sport kunnen schrijven: Wilfried de Jong bijvoorbeeld. Maar veel sportjournalistiek wemelt van de clichés. Dat kan bijna niet anders: bij wedstrijden komt het er in essentie op neer dat een sporter of team wint of verliest. Zie dat maar eens origineel onder woorden te brengen. Dat dit geen sinecure is, blijkt uit zinnen die je dagelijks op de site van de NOS kunt lezen. Zinnen als: „Büchli wrong zich in de laatste meters door een aantal hachelijke situaties naar de zilveren plak” en „Nog voor Argentinië de kanonnen echter in stelling kon brengen, had Oranje het gevaar al geneutraliseerd.”

Ewoud Sanders schrijft wekelijks over taal. Twitter: @ewoudsanders