VN moet verbinden, maar zet kwaad bloed

In Zuid-Soedan werden op 11 juli drie ‘Westerse’ vrouwen verkracht en een Amerikaanse man mishandeld. Volgens Afrika-journalist Arne Doornebal kwam het geweld tegen ‘het Westen’ niet geheel onverwacht.

Foto Eric Kanalstein / AP

Wie Zuid-Soedan volgt is qua slecht nieuws wel wat gewend. Toch kreeg ik kippenvel toen ik gister de longread van AP-verslaggever Jason Patinkin las. Hij beschrijft een urenlang durende aanval van Zuid-Soedanezen in militaire uniformen, vermoedelijk regeringssoldaten, op het complex van het Terrain-hotel in Juba. Een complex met zwembad, squash en bar. Patinkin spreekt met drie anonieme Westerse vrouwen, die allemaal verkracht werden. Eén door wel vijftien mannen. Een Amerikaanse man werd geslagen en beschoten. Tegen het eind van de aanval werd de Zuid-Soedanese journalist John Gatluak voor de ogen van de aanwezigen door zijn hoofd geschoten. Gatluak, verslaggever voor de Amerikaanse NGO Internews, was volgens zijn moordenaars van de verkeerde stam.

Ik deelde mijn gevoel met een groepje Oost-Afrikanen, die me wat meewarig aankeken. „Waarom maak je je nu opeens druk om die Amerikanen? Hoeveel Oegandezen worden er in Juba verkracht? Hoeveel Zuid-Soedanese kinderen?” Ze hebben een punt. Berichten over massaverkrachtingen, zowel door rebellen als regeringssoldaten, zijn al zo oud als de Zuid-Soedanese burgeroorlog zelf. Ook tijdens de vorige gevechtsronde, tussen 1983 en 2005, werd op grote schaal verkracht door de gewapende opstandelingen van het Sudan People’s Liberation Army (SPLA), de kliek die ondanks splitsingen nog altijd de macht bezit in Juba. Om nog maar te zwijgen over de talloze minderjarige meisjes die tegen hun zin worden uitgehuwelijkt aan veel oudere mannen.

„Waarom maak je je nu opeens druk om die Amerikanen? Hoeveel Oegandezen worden er in Juba verkracht? Hoeveel Zuid-Soedanese kinderen?”

Blanken

Nieuw aan de aanval van 11 juli is het doel: blanken, en Amerikanen in het bijzonder. Ook blijkt uit het verslag van Patinkin dat ze geen enkel ontzag hadden voor de vredesmilitairen van de VN, die met zo’n 12.000 man/vrouw sterk in Zuid-Soedan aanwezig zijn. „Jullie hebben dit land kapot gemaakt. Jullie helpen de rebellen”, beet een van de aanvallers hun slachtoffers toe.

Mijn gedachten gaan terug naar begin 2008, toen ik voor het eerst in Juba kwam. Drie jaar na het vredesverdrag, overal was de hoop op een beter leven voelbaar. Op een terras raakte ik in gesprek met een Amerikaanse. „I Love Juba. Great place, great people”, zei ze, nippend aan een biertje. Ik sprak mijn bewondering uit. Ik was er al enige dagen en had juist moeite om contact te maken met mensen op straat. Ik stuitte op taalbarrières en een beetje wantrouwen. Ze lachte hartelijk om mijn compliment. „Nee, ik bedoelde natuurlijk geen Zuid-Soedanezen! Die spreek ik nooit na vijf uur. Het is de expatgemeenschap die hier zo gezellig is”, verklaarde ze. Later legde een Nederlandse Juba-expat het me als volgt uit. „Wie voor de VN werkt wil het liefst naar Darfur. Dat staat het best op je cv. De VN’ers die je in Juba ziet, zijn eigenlijk een beetje de losers.”

Geen enkel land wil body bags uit Zuid-Soedan.

Later zag ik in VN-kampen hoe weinig ‘verenigd’ de Naties zijn. Zo bleek dat de basis in Bor, waar in 2009 diverse Nederlanders gelegerd waren, bestond uit twee delen. Een kamp met airconditioned wooncontainers waar de VN-soldaten uit rijke landen sliepen. Met daar tegenaan een gebouw van golfplaten voor Indische militairen. Sowieso was er een opvallende oververtegenwoordiging aan Bengaalse, Mongoolse en Nepalese vredestroepen. Rijke landen droegen nauwelijks bij. Herhaaldelijk kregen de VN-troepen het verwijt niet in te grijpen bij geweld. Zo ook op de elfde juli. Geen enkel land wil body bags uit Zuid-Soedan.

Amerikaanse lobby

Amerika wordt wel de geestelijk vader van Zuid-Soedan genoemd. Het land dat afscheiding van het ‘christelijke’ zuiden (als baken van stabiliteit tegen het islamistische noorden) wilde, dat zich met oud-president Carter en filmster George Clooney nadrukkelijk liet zien in ’s werelds jongste staat. Op Zuid-Soedanese ministeries werkten blanke Amerikanen als ambtenaren; een Zuid-Soedanees vlaggetje op de borst geprikt. Ondanks deze Amerikaanse lobby die zich sterk maakte voor een onafhankelijk zuiden kon de nieuwste gevechtsronde niet voorkomen worden.

Het is de arrogantie van sommige VN-functionarissen die kwaad bloed zet bij Zuid-Soedanezen. De VN houden Zuid-Soedan draaiend. Ook al hebben ze veel levens gered, er gaat verschrikkelijk veel fout. Hun salaris is torenhoog in dit straatarme land. Ze verplaatsen zich overdreven behoedzaam in landcruisers, de bevolking in het stof achterlatend. De internationale gemeenschap zegt zich vreselijk om Zuid-Soedan te bekommeren, maar heeft nog altijd geen wapenembargo afgekondigd, ondanks drie jaar bloedige machtsstrijd waarin geen ‘good guy’ meer aan te wijzen is.

Het zou kunnen dat de aanval van 11 juli willekeurig was. Maar niet uit te sluiten valt dat hij bewust gericht was tegen de enorme gemeenschap van buitenlandse VN’ers en NGO-medewerkers, die naar buiten toe graag de Moeder Teresa uithangt maar privé toegeeft na vijf uur liever geen Zuid-Soedanezen meer te willen zien. Behalve als barman of life guard in het zwembad, wellicht.