Turkse vlaggen hebben niets met slechte integratie te maken

Maak je geen zorgen over Turks nationalisme in Nederland. Europese migranten gedroegen zich vroeger in de VS niet anders, schrijft . „Gaat vanzelf over.”
Foto Ullstein Bild/Getty Images

Als nieuwbakken student aan Columbia University in New York viel het Casa Italiana me direct op. Wat deed dat palazzo op de campus? Het door de Italiaanse regering gefinancierde gebouw bleek in 1927 geopend door uitvinder Marconi, een vriend van de fascistische leider Mussolini. Nader onderzoek leerde dat het Casa Italiana ‘een school voor fascistische ideologen’ had moeten worden.

Ik moest eraan denken toen Nederland in de kramp schoot toen Turkse Nederlanders hier al vlaggend hun nationale identiteit uitdroegen. Ze voelden zich sterk betrokken bij de politiek in hun moederland of het moederland van hun ouders. Slecht geïntegreerd? Vertel dat maar aan de Europeanen die destijds naar Amerika migreerden.

In 1927, toen het Casa Italiana werd gebouwd, woonden al meer dan zeven miljoen Italianen in de VS. Ze werden in rap tempo net zo Amerikaans als de andere immigranten. Bijna vanzelfsprekend probeerde de Italiaanse regering ze betrokken te houden. Dat viel niet mee, want ze waren natuurlijk niet voor niets naar Amerika vertrokken. Mussolini deed zijn best. Hij bood ze een paspoort aan, en als ze in Abessinië wilden vechten, graag! Het liep niet storm.

Italianen waren niet uniek. In juni 1963 bezocht John F. Kennedy Ierland, het land van zijn overgrootvader. Veel Ieren die in de negentiende eeuw waren gevlucht, bleven als Amerikaan actief in het ondersteunen van het Iers verzet tegen de Britse bezetting van hun land. Dat ging zo ver dat de Ierse Amerikanen tijdens de Eerste Wereldoorlog voor de Duitsers waren, simpelweg omdat ze de Engelsen haatten. Later, in de twintigste eeuw, was er flink wat Amerikaanse steun voor de IRA. Alle Iers-Amerikanen zwaaien op Saint Patrick’s day met Ierse vlaggen.

Tijdens diezelfde wereldoorlog schaarden de Duits-Amerikanen zich bijna vanzelfsprekend achter Duitsland. Zolang Amerika erbuiten bleef, leverde dat weinig problemen op. Amerikanen van Angelsaksische afkomst duimden natuurlijk voor de geallieerden. Geen van beiden hadden ze objectieve redenen om voor de een of de ander te zijn, want Amerika was officieel neutraal. Maar de bloedbanden verloochenden zich niet.

Toen Amerika aan de geallieerde kant ging deelnemen, vanaf februari 1917, barstte een dam aan anti-Duitse gevoelens. De journalist H.L. Mencken, nog steeds geliefd vanwege zijn schrijfstijl, legde zichzelf een publicatieverbod op voordat zijn krant dat deed, wegens zijn uitgesproken pro-Duitse standpunten. Mencken ging ook wel heel ver: Duitsers waren een superieur ras en natuurlijk steunde hij de keizer. Bijeffect van de oorlog was dat op de vele plaatsen in Amerika waar nog Duits gesproken werd (platteland) de taal uit de publieke sfeer verdween. De Frankfurter, het knakworstje in een broodje, werd omgedoopt tot hotdog: geen rechtgeaarde Amerikaan wilde zo’n Duits ding.

Veel immigranten ontwikkelden pas na hun vertrek een nationalistisch gevoel voor het land dat ze verlieten. Vaak wordt gezegd dat Italianen pas in Amerika ophielden Napolitanen of Sicilianen te zijn. Toen ze er nog woonden haatten ze de rest van het land. Hun nationaal bewustzijn ontstond pas toen ze elders een etnische minderheid werden – en Amerikanen hen dat voortdurend inpeperden.

Aanvankelijk beleefden Italianen dit gevoel via hun katholieke geloof, dat veel intenser was dan het in Italië was geweest. En door het oprichten van beelden voor helden als Columbus, Vespucci, Verdi en Verrazano. Het kreeg een nieuwe dimensie toen Mussolini aan de macht kwam: eindelijk zagen ze een Italiaanse leider die wereldwijd respect afdwong. Dat maakte hen trots, als Italianen in Amerika.

Natuurlijk beklijfde het allemaal niet. Met Mussolini en met Italië liep het slecht af. Het duurde niet lang of Italiaans-Amerikanen schaamden zich voor hun moederland. Na de oorlog maakten de Amerikanen geen geld meer over naar Italië. Italian clubs liepen leeg. Latere generaties zochten hun sociale contacten buiten de Italiaanse gemeenschap. Steeds meer werd ‘Italiaan zijn’ een vrijblijvende keuze, symbolic etnicity in de woorden van socioloog Herbert Gans: een identiteit die je naar believen aantrekt en uitdoet.

Het is kortom geen verrassing dat Turkse Nederlanders zich betrokken voelen bij wat er in Turkije gebeurt. Gegeven wat we weten van immigranten en hun ontwikkeling in een nieuw land zou het zelfs verrassend zijn als ze dat niet deden. Turkse Nederlanders hebben, net als alle Nederlanders, een gelaagde identiteit. Loyaliteiten en interesses zijn diep ingebakken in iemands sociale omgeving, het was de basis voor onze verzuiling. Zo bezien is er geen reden voor opwinding over vlaggende Nederlandse Turken. Het is geen teken van slechte integratie. Integendeel, dat ze zich politiek manifesteren is juist toe te juichen, wat we ook vinden van de zaak die ze dienen. Zoals andere immigratielanden bewijzen, de Verenigde Staten voorop, gaat het vanzelf over.

Frans Verhagen is journalist. Zijn boek over de Founding Fathers verschijnt volgende week.