Rauw en ongepolijst

Het Brabantse Cappella Pratensis Foto Hans Morren

Graindelavoix is een ensemble waar je onmogelijk géén mening over kunt hebben. De Belgische zanggroep rond Björn Schmelzer buigt zich over de muziek van de Middeleeuwen en Renaissance, en doet dat radicaal anders dan hoe andere groepen het doen. Schmelzer meent dat de oudemuziekwereld vastzit in kneuterig academisme, bovendien zal de muziek uit de veertiende eeuw mogelijk niet zo engelachtig hebben geklonken als ze nu vaak wordt uitgevoerd. Graindelavoix deed onder meer inspiratie op bij monniken in Sardinië en werkte met soefizangers. Die bagage klinkt door in hun aanpak: de zangers produceren een kelige klank, de open plekken in de notenteksten krijgen een volksmuzikale invulling.

Nu heeft de groep zich over de bekendste middeleeuwse mis gebogen: de Messe de Nostre Dame van Guillaume de Machaut (circa 1300-1377). Hoezeer hun bedoeling om het anders te doen ook te prijzen valt, hun opname overtuigt niet. Vanaf de eerste noten van het ‘Kyrie’ is er onrust. Ieder lijntje wordt driftig versierd, de zangers vibreren tot in het extreme en glijden om de haverklap van toon naar toon. Het rauwe en ongepolijste wordt zodanig gecultiveerd, dat de uitvoering eerder de indruk van een statement wekt dan van een oprechte artistieke uitdrukking. Er is een soort hyperindividualisme waarin iedereen zijn eigen weg lijkt te gaan, alsof de zangers door Schmelzer worden aangemoedigd in tongen te spreken – van de kenmerkende zuivere kwinten blijft weinig over.

Net als Graindelavoix nu, stond het Brabantse Cappella Pratensis ooit als onorthodox te boek. Onder leiding van Rebecca Stewart, die zich – voordat ze zich op de westerse polyfonie stortte – specialiseerde in Indiase klassieke muziek, keek het ensemble naar modale tradities buiten Europa. Het meest opmerkelijk was dat er gezamenlijk werd gezongen vanuit één koorboek met de muziek in oorspronkelijke notatie. In oude opnames hoor je de nadruk op dynamiek, waarin stemmen geleidelijk aan de gelegenheid krijgen te pieken.

De scherpe kantjes zijn er inmiddels wat vanaf. Je zou kunnen zeggen dat Cappella Pratensis ‘gewoner’ is geworden. Sinds 2004 staat Cappella onder leiding van de Canadese countertenor Stratton Bull, onder wie het ensemble veranderde. Het bestaat nu volledig uit mannen. Hoewel nog wel wat nasaal, lijkt de totaalklank opgeschoven naar die van de gespecialiseerde clubs als die uit Groot-Brittannië – strak, zuiver, met wat meer body.

Cappella mag dan iets minder onderscheidend zijn, het ensemble is wel heel goed in zijn soort, blijkt op het nieuwste album, dat in het teken staat van Pierre de la Rue. De la Rues Missa Cum jocunditate krijgt een serene vertolking. De improvisaties van Wim Diepenhorst op het zestiende-eeuwse orgeltje van de Mariënkirche in Lemgo, Duitsland, zorgen voor een welkome afwisseling.

    • Merlijn Kerkhof