‘Je moet een beetje gestoord zijn om het zo te doen’

Matthijs Büchli (23) perste zich in de laatste meters van de olympische keirinfinale naar de zilveren medaille. „Je moet een beetje gestoord in je hoofd zijn om dat zo te doen.”

Matthijs BŸüchli tijdens de finale keirin baanwielrennen in het Olympic Velodrome tijdens de Olympische Spelen van Rio. Sander Koning/ANP

Zes gespierde kerels in volle sprint, strijdend voor olympisch goud. Ze gaan dik boven 71 kilometer per uur, harder kunnen ze niet. De medailles lijken verdeeld, de finish is al over dertig meter. En dan is daar ineens Matthijs Büchli, zelfverklaard kamikazepiloot uit Santpoort, Noord-Holland. Jason Kenny, de snelste baanwielrenner van dit moment, zit rechts van hem – Büchli kan zijn schouders bijna tegen de zijne voelen.

De beste man volgen

De Brit heeft al twee keer olympisch goud op de sprint en teamsprint, zijn topsnelheid is niet te evenaren dit toernooi. Precies daarom kiest Büchli steeds het wiel van de Brit, ook in races hiervoor, toen er twee keer werd afgeschoten omdat renners hun zenuwen niet in bedwang konden houden en de derny – een gangmaker op een brommer – te vroeg passeerden. Volgens de regels had Kenny er al uit moeten liggen, maar de jury toonde clementie, net als een dag eerder, toen Mark Cavendish in de fout ging maar niet werd gediskwalificeerd. Büchli bleef onverstoorbaar, gefocust als een volwassen sportman. Zijn tactiek was glashelder: de beste man in het veld volgen, en dan maar zien of hij ergens verzwakt.

Büchli’s reactie bij de NOS:

Mislukte generale

Een paar centimeter op links fietst de imposante Duitser Joachim Eilers, regerend wereldkampioen op dit onderdeel, de keirin, baandiscipline oorspronkelijk uit Japan, waar het een goksport is gelijk paardenraces in de VS. In maart was Eilers nog onverslaanbaar in het London Velopark, maar die WK-vorm is hij nu kwijt. Büchli ging toen twee keer onderuit in de voorrondes en hield daar splinters en een gedeukt ego aan over. De generale repetitie voor Rio was jammerlijk mislukt. Maar dat toernooi ligt nu ver achter hem. Dit zijn de Olympische Spelen, zijn eerste.

Gestoord in je hoofd

Als Kenny de finishlijn ziet liggen, waaiert hij wat naar buiten. Het gaatje dat ontstaat is eigenlijk te smal voor de brede schouders van Matthijs Büchli, maar hij smijt zichzelf er gewoon in, onbevreesd voor brandwonden of gebroken botten. „Ik dacht: of ik ga vol op mijn bek, of ik haal een medaille”, zou hij later tegen de NOS zeggen. Hij blijft overeind en hij pakt zilver, na de bronzen medaille van Teun Mulder in Londen, vier jaar geleden. Het voelt als winnen, zegt hij.

„Je moet een beetje gestoord in je hoofd zijn om dat zo te doen”, zegt Büchli’s trainingsmaatje Hugo Haak, die vlak voor de Spelen zijn plek in de Nederlandse baanploeg verloor aan Theo Bos en zodoende thuis naar het baanwielrennen moet kijken. „Het gaat zo hard en die gaatjes zijn zo klein. Om er in te duiken heb je lef nodig.”

Matthijs kan schakelen

Maar niet alleen dat, weet Haak. „Dat Matthijs dit kan, zegt ook iets over zijn persoonlijkheid, die goed bij de keirin past. Het komt aan op spelinzicht, maar je moet ook flexibel zijn. De situatie in de race verandert voortdurend, want je strijdt tegen vijf andere renners die allemaal hun eigen tactiek hebben. Ik kan alleen een goede keirin rijden als de wedstrijd verloopt zoals ik dat wil. Matthijs kan schakelen.”

Trainen in Japan

In Japan zagen ze dat vorig jaar ook. Ze nodigden Büchli – vanwege zijn ‘keirinhart’ – uit op de keirinschool van Shuzenji, op twee uur rijden van Tokio. Slechts drie Nederlanders gingen hem ooit voor – Theo Smit, Theo Bos en Teun Mulder. Natuurlijk vielen zijn twee bronzen medailles op de WK’s van 2013 en 2014 op, maar het was vooral zijn manier van rijden die het hart van de Japanners sneller liet kloppen. Ze zagen in hem een groeibriljant. Büchli, nog steeds maar 23, leerde er alles van tactieken – sprinten op 500 meter, 300 meter en 150 meter van de finish. „En je bent maanden verwijderd van bekenden. Je traint, werkt toe naar een wedstrijd, en gaat dan weer trainen. Dat is goed voor je ontwikkeling en je wordt er volwassen van”, zei hij tegen Radio 1. Dat is gebleken.