Goed gedaan

Het is tegen half vijf ’s nachts als ik mijn zus afzet bij haar huis. We hebben een weekend bij onze ouders doorgebracht om het ergste liefdesverdriet een beetje uit haar hoofd te kunnen wringen. Ze lijkt zelfs iets te zijn opgeknapt. Ze barst tenminste niet meer om de vijf minuten in huilen uit en heeft ook niet meer de neiging om stelletjes aan te vallen.

„Kijk eens”, zegt ze (haar mond een kaarsrechte streep). „Ik kan zelfs alweer een beetje lachen.” Ik bel maar aan. Mijn broer, die haar kinderen een weekend lang onder zijn hoede had, doet stralend open.

„We zijn gaan kamperen en kajakken, voetballen, Pokémon go-en, boulderen, zwemmen, mountainbiken en we hebben een nachtelijke dropping gedaan”, zegt hij trots. Mijn jongste neefje staat total-loss en verzaligd naast hem.

„Het... was... geweldig”, zegt hij, terwijl zijn knieën knikken van uitputting. Mijn zus kijkt moedeloos om zich heen. Een huis betreden waar je geliefde niet meer woont is geen thuiskomen.

Binnen zit haar oudste zoon aan de keukentafel. Hij is bijna elf en normaliter vergroeid met zijn iPad, maar nu staart hij een beetje wazig voor zich uit. Hij heeft een glimlach zo breed alsof hij die nacht met een kleerhanger in zijn mond heeft geslapen. Mijn zus vraagt of er iets gebeurd is.

„Ja, Jasper is –” zegt de jongste en onze broer begint opeens hardop te vertellen over hoe geweldig atleten het doen op de Olympische Spelen. Mijn zus sleurt hem de keuken in.

„Heeft hij weer kleurstof gehad?” sist ze hem toe. „Je weet dat hij daar niet tegen kan.” Mijn broer schudt zijn hoofd.

Mijn zus kijkt nog een keer naar Jasper, die in de verte staart alsof zijn brein naast de standaard neurochemicaliën nu ook opeens THC afgeeft. Haar blik klaart op.

„Hij is toch niet –”

„Jep. Er was een meisje.”

Mijn zus is even sprakeloos. Kom je thuis met liefdesverdriet, is je kind opeens in de wolken.

„Is je broer verliefd?” vraagt ze aan de jongste. Die knikt.

„Ik heb ze zien kussen! Het was zo goor! Het maakte geluid!” zegt hij met een blik die zowel walging als euforie verraadt. Zijn broer reageert niet. Staart loom en verzadigd voor zich uit alsof hij net een duik in een badkuip met MDMA-poeder heeft genomen. Mijn zus gaat naast hem staan.

„Was het mooi?” vraagt ze. Hij knikt.

„Ben je blij?” vraagt ze. Hij knikt.

„Is het voor altijd?” vraagt ze. Hij knikt.

„Dan heb je het goed gedaan.” Ze omhelst hem. Haar schouders trillen nog een beetje, haar handen niet meer.

Ellen Deckwitz heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.