Laag salaris en tijdelijke contracten tot je veertigste

Race naar de bodem

Een carrière in de wetenschap begint met een reeks van tijdelijke banen voor een laag salaris. Het merendeel haakt af voor zijn veertigste. „Terwijl andere mensen nadenken over gezinsvorming en een huis kopen, leiden academici een nomadenbestaan.”

Beeld Arjen Born

Om negen uur ’s avonds thuiskomen, eten en vervolgens op de bank in slaap vallen. Weekenden incluis. Daar is niks geks aan voor de 36-jarige ontwikkelingsbioloog Monika Bialecka. Dat ze hard werkt op een tijdelijk contract voor een aanzienlijk lager salaris dan andere 36-jarigen met hetzelfde opleidingsniveau, maakt haar niet zoveel uit. „Zolang ik mijn hypotheek maar kan betalen. Voor vakanties heb ik toch geen tijd.”

Bialecka werkt vanuit „devotie” voor haar onderzoek, zegt ze. Bovendien: wie kiest voor een carrière in de wetenschap, weet dat dit de realiteit is. Tijdelijke contracten tot je veertigste en alleen met veel geluk en doorzettingsvermogen in de jaren daarna een vaste positie verwerven. Moet je vaak wel op z’n minst een van die tijdelijke banen in het buitenland hebben gedaan. Zo verliet Bialecka haar thuisland Polen om in Nederland te promoveren en vertrok ze daarna voor drie jaar naar Cambridge voor haar eerste tijdelijke onderzoeksbaan. Haar vriend bleef in Nederland, in de weekenden vlogen ze naar elkaar toe. „Heel zwaar voor je relatie.”

Nu werkt Bialecka als onderzoeker in Leiden en noemt ze het „realistisch” dat ze binnen twee of drie jaar een vaste aanstelling vindt.

Academische nomaden

Een carrière in de wetenschap begint met een promotie-onderzoek, dat de meesten afronden rond hun dertigste. De wetenschappers die blijven (70 procent van de promovendi verlaat de wetenschap, niet zelden noodgedwongen), beginnen aan „een reeks van tijdelijke aanstellingen”, zegt Marijtje Jongsma, voorzitter van de Vakbond voor de Wetenschap (VAWO). Ruim 60 procent van het wetenschappelijk personeel van universiteiten is nu in tijdelijke dienst. Dat is inclusief de promovendi, maar zonder is het nog steeds ruim 40 procent. Ter vergelijking: van alle Nederlandse werknemers heeft een kwart een flexibel dienstverband, volgens CBS-cijfers. Jongsma:

„Het is een groot probleem, met name voor de academici zelf. Want terwijl ze de leeftijd hebben waarop veel mensen nadenken over gezinsvorming en een huis kopen, leiden ze het leven van een academische nomade. Zo wordt er bijvoorbeeld echt van hen verwacht dat ze een paar jaar naar het buitenland gaan. Dat moeten vrouwen dus doen in hun vruchtbare jaren.”

Rolf van Wegberg, voorzitter van het Promovendi Netwerk Nederland (PNN), vreest voor een generatie van „wegwerpwetenschappers”: promovendi die alles accepteren wat ze krijgen aangeboden, vier jaar worden „gebruikt om wetenschappelijke output te leveren aan de universiteit” en daarna een baan buiten de academie (moeten) zoeken. Waar het, volgens recent onderzoek, vervolgens zo’n twaalf jaar duurt voordat ze hetzelfde salarisniveau hebben bereikt als hun leeftijdsgenoten met dezelfde studie.

Geen pensioen of vakantiegeld

In september gaat aan de Rijksuniversiteit Groningen een experiment van start met zogeheten beurspromovendi. Het illustreert de race to the bottom in de wetenschap, in de ogen van de tegenstanders.

De komende vijf jaar worden in Groningen 850 promotiestudenten aangenomen. Deze promovendi krijgen een beurs voor hun werk en blijven student, in tegenstelling tot hun collega-promovendi met een werknemersstatus.

Hun inkomen, zo’n 1.700 euro netto per maand, is in het eerste jaar vergelijkbaar met het salaris van een gewone promovendus. Maar daarna blijft de beurs hetzelfde, terwijl een promovendussalaris jaarlijks stijgt. Ook zijn de arbeidsvoorwaarden soberder: ze bouwen geen pensioen op en hebben geen recht op bijvoorbeeld vakantiegeld en zwangerschaps- of ziekteverlof. „Alle sociale vangnetten worden hiermee doorgeknipt”, zegt PNN-voorzitter Van Wegberg.

„Als er meer mensen willen promoveren dan er plekken zijn, zullen mensen ook meer accepteren om ertussen te komen.”

Een bezuinigingsmaatregel, noemen het Promovendi Netwerk en de vakbond het dan ook. Maar de universiteit ziet het als een manier om meer studenten te kunnen laten promoveren en hun zo een betere kans te bieden op een goede carrière binnen of buiten de wetenschap.

De Nederlandse kennissamenleving, zo stelt de universiteitenvereniging VSNU, wordt verstevigd als de universiteit op deze manier meer promovendi kan opleiden.

Talentenjacht

Eenmaal gepromoveerd duurt het volgens vakbond VAWO 13 tot 17 jaar voordat een wetenschapper via diverse tijdelijke contracten een vaste plek in de wetenschap verovert. Dat geldt althans voor degenen die gaandeweg niet zijn gestopt: van alle promovendi blijft uiteindelijk 10 procent werkzaam op een universiteit.

VAWO-voorzitter Jongsma: „Er is gewoon niet voor iedereen plek. Aanstellingen worden niet verlengd en universiteiten zijn niet genegen een vaste baan te geven aan mensen van wie ze niet denken dat ze hoogleraar kunnen worden, of die geen obsceen hoge subsidie hebben binnengehaald.”

De wetenschap, zegt zij, is een talentenjacht geworden. Universiteiten zoeken „als een bezetene naar de nieuwe Einstein, naar een toekomstige Nobelprijswinnaar”. Jongsma: „Terwijl heel veel klappers gewoon inspanningen zijn van een team. En dat wordt in dit extreem competitieve systeem te weinig onderkend.”

Het verweer van de universiteiten is dat zij kampen met onzekere geldstromen, die jaarlijks kunnen verschillen. Daardoor kunnen of durven ze niet te veel mensen in vaste dienst te nemen.

Dat er nog steeds jaarlijks bijna 3.000 mensen aan een promotie-onderzoek beginnen en een carrière in de wetenschap najagen, komt volgens Van Wegberg – zelf onderzoeker naar cybercrime, op een tijdelijk contract – doordat ze zoveel terugkrijgen voor de onzekerheid.

„Het werk zelf is deel van de vergoeding. En de vrijheid, de onafhankelijkheid. Er zijn mensen die dat hoger aanslaan dan geld en een vast contract.”

Dat geldt zeker voor Bialecka, die voordat ze aan haar promotie-onderzoek begon kort in het bedrijfsleven werkte. „Ik hield niet van werken van negen tot vijf. Een vaste positie is voor mij niet zo belangrijk. Zolang ik maar kan doen wat ik wil.”