Rechterbeen gezocht (3)

‘Wat hebben we hier?”, vroeg rechercheur Ray Purperhart aan zijn collega Anita Gankema. Hij had Janice snel thuis afgezet en was nu op de plaats delict.Anita en Ray werkten vaak samen. Ze werden door hun recherchechef wel smalend Team Sjors en Sjimmie genoemd, naar het blond-blanke en zwarte stripduo. Ray mocht zijn chef niet; die ging bijna met pensioen, en Ray hoopte zijn plaats in te kunnen nemen.

Anita en Ray stonden op de brug over de gracht van de Bijlmerbajes – officieel de Penitentiaire Inrichting Amsterdam Over-Amstel. Opgezet als een kasteel. De torens: zes hoge flats met cellen. Daaromheen een hoge muur van beton en daaromheen een gracht. Je kon alleen via de brug binnen komen.

Twee agenten hadden die brug met politielint afgezet. Duikers van het team Forensische Opsporing waren al in het water. Een andere collega maakte foto’s. „Iemand uit de buurt heeft gebeld”, zei Anita en wees over de brugleuning.

In de bajesgracht dreef, nog half onder de brug, een dame van middelbare leeftijd op haar rug in het ondiepe bruine water. Haar gezicht kwam half boven het watervlak uit. Ze leek een verbaasde zeemeermin. Haar donkere halflange haren waaierden uit in het water. Ray boog zich over de leuning. Hij tuurde naar het lijk. „Ze heeft een wond in haar hals”, zei hij. „Vlak onder haar kin.”

Een duiker van het forensisch team waadde tot zijn middel door het water naar de dode vrouw toe.

„Daar beweegt iets… in dat gat in haar hals”, zei Ray tegen hem en greep Anita bij de arm. De duiker peuterde met zijn gehandschoende vingers voorzichtig in de halswond. Hij haalde een tien centimeter lang roodbruin diertje tevoorschijn. Hij hield het omhoog. Het beest wriemelde driftig met zijn pootjes, en zwaaide met zijn scharen. „Een Amerikaanse rivierkreeft”, zei de duiker. „Die zijn een plaag hier.” Hij haalde een potje met schroefdop uit zijn zak, schepte het vol water en stopte het beest erin. „Wie weet...” zei hij.

„Ray”, zei Anita. Ze wees naar de vrouw. „Haar mond… beweegt. Het lijkt wel of ze wat zeggen wil.”

„Haar mond, er zit er ook een in haar mond”, riep Ray. De duiker tastte in de half open mond van de overleden vrouw en trok er nog een wriemelende kreeft uit. „Die is al aan haar tong begonnen”, zei de duiker. Hij liet zich een tweede potje toegooien en stopte het kreeftje daarin. „De een zijn dood…”, zei hij.

„Gadverdamme”, zei Anita. De duiker haalde het drijvende lichaam van de vrouw nu helemaal onder de brug vandaan. Een zwerm Amerikaanse rivierkreeftjes schoot onder haar beige jas weg. „Ze mist haar rechterbeen”, zei hij.

Met hoge snelheid kwam een auto de brug op rijden en stopte vlak voor het afzetlint. Er sprong een man in korte broek uit, die onder het lint doorschoot en op Ray en Anita afkwam. „Een lijk in mijn gracht? Ik stond net de barbecue aan te maken… Het is zondag, godverdomme. Laat zien, ik ben de directeur.”

De man boog zich ook over de brugleuning. „Wel allejezus”, zei hij en wendde zich tot beide rechercheurs: „Ik ken haar. Ze was vrijdag bij me op bezoek! Wat doet ze in mijn gracht?”

„Kunnen we even bij u op het kantoor praten?”, vroeg Ray.

(Wordt vervolgd)

De personages en gebeurtenissen in dit verhaal zijn verzonnen. Frits Abrahams keert eind augustus terug.