Op 15 en 17 augustus herdenken om te leren van gemaakte fouten

nrcvindt

Het is goed dat het land op 15 augustus stilstaat bij de Japanse capitulatie in 1945. Die betekende het einde van de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië. In dat deel van het Koninkrijk der Nederlanden duurde de oorlog ruim drie maanden voort nadat het moederland in mei was bevrijd van de Duitsers. De Japanse wreedheden van onthoofdingen en dwangarbeid onder onmenselijke omstandigheden tot seksuele slavernij hebben diepe wonden nagelaten en mogen niet worden vergeten.

Stilgestaan wordt ook bij de chaotische periode van de Bersiap, die onmiddellijk daarna losbarstte: de vaak gruwelijke gewelddadigheden van revolutionaire jeugdbendes tegen iedereen die met het voormalige Nederlandse regime in verband werd gebracht. Vooral tegen de Nederlands-Indische bevolkingsgroep hebben zogeheten pemuda op beestachtige wijze huisgehouden. Het aangedane leed werd nog eens onderstreept door de uiterst koele ontvangst die de gerepatrieerden kregen bij hun terugkeer in Nederland – een ‘terugkeer’ die voor velen overigens een eerste kennismaking was, omdat hun families al generaties in de voormalige kolonie hadden gewoond.

Het is belangrijk dat deze gecompliceerde periode niet verzinkt in vergetelheid. Zij is onderdeel van de Nederlandse identiteit. Net als de koloniale oorlog die Nederland na de Bersiap voerde tegen de jonge natie. Pas relatief recent is het besef breed doorgedrongen dat Nederlandse militairen zich in Indonesië schuldig hebben gemaakt aan niet alleen incidentele maar ook structurele oorlogsmisdaden. Het zou passend zijn als minister Bert Koenders (Buitenlandse Zaken, PvdA) nog deze kabinetsperiode de extra financiën vrijmaakt om historisch onderzoek, waarvan hij voorstander is, te faciliteren.

Indonesië, dat op 17 augustus zijn onafhankelijkheid viert, heeft aan dergelijk onderzoek geen behoefte. En dat is begrijpelijk, alleen al omdat dit de stichtingsmythe van het moderne Indonesië kan ondergraven: dat het huidige Indonesië is ontstaan uit een burgeroorlog en niet uit een eensgezinde opstand onder leiding van de eerste president Soekarno.

Feit is dat het Indonesische leger steeds een bepalende rol heeft gespeeld – ook bij mensenrechtenschendingen sinds de onafhankelijkheid.

President Widodo zei bij zijn werkbezoek in april aan Den Haag dat beide landen moeten vooruitkijken en de economische banden versterken. Dat is een mooie gedachte. Maar kennis van het verleden kan herhaling van gemaakte fouten voorkomen. Zo heeft Widodo bij een recente reshuffle ex-generaal Wiranto benoemd op de belangrijke post van coördinerend minister voor Veiligheid. Tegen Wiranto, eind jaren negentig opperbevelhebber van de strijdkrachten en minister van Defensie, loopt nog altijd een VN-arrestatiebevel op verdenking van mensenrechtenschendingen in Oost-Timor in 1999. Zijn terugkeer in het centrum van de macht duidt erop dat ook de regering-Widodo verstrengeld is met de machtsstructuren van het Indonesische leger. Voor de internationale rechtsorde is woensdag daarom een dag om bezorgdheid uit te spreken.