Wie taarpt nog achteruit?

In IJmuiden in Noord-Holland en Stamproy in Limburg ontstonden ooit twee taaltjes waarbij de sprekers lettergrepen husselden. Vorige week overleed in IJmuiden een van de laatste sprekers. Het Achteroetkalle wordt nog maar door één vrouw gesproken.

Ben Tap (74), Jan Clots (98) en Jan Zwanenburg (70) Elze van Driel

“Nee pokkie fokkie na et Pok naf et Aven!”, klinkt het in café Kop van de Haven in IJmuiden. Jan Zwanenburg (70), Ben Tap (74) en Jan Clots (98) zitten aan een tafel met uitzicht over het Noordzeekanaal te lachen. Aan de overkant de fabrieken van Tata Steel. „Pokkie fokkie”, zeggen ze weer, daarna praten ze onverstaanbaar verder.

Een koppie koffie aan de Kop van de Haven. Het omdraaien van lettergrepen klinkt voor anderen als onbegrijpelijk gebrabbel. En zo kun je er geheimtaal van maken. In IJmuiden – toen nog een dorp – en bij één familie in Limburg werd op het hoogtepunt, in de eerste helft van de vorige eeuw, de taal door velen geleerd en gebruikt. Maar inmiddels zijn de meeste sprekers overleden of op hoge leeftijd en is IJmuiden uitgegroeid tot een kleine stad. Hoe staat het nu met het taalverschijnsel? En hoe lang bestaat het nog?

Hij groeide erin, zegt Jan Zwanenburg. Leerde het van zijn opa, Jan Groen (“Naj Noerg”), een van de bekendste sprekers die IJmuiden kende. Van jongs af aan kwam hij met de taal in aanraking. Het is meer dan een trucje, zegt hij. Je kunt niet elk woord rustig gaan ontcijferen. Je moet het je eigen maken. “Zoals sommige mensen Frans spreken.”

‘Jeug et raage raam et maar tu’

Hoe het allemaal ooit is ontstaan, dat blijft onduidelijk. “Niemand weet het precies”, zegt Clots. De oude man spreekt nog helder over het taaltje. “Men zegt dat de vletterlieden ermee zijn begonnen.”

Hij was zelf lid van de vletterlieden: een groep zeemannen die hielp bij het binnenloodsen van schepen. Zij zouden de taal hebben ontwikkeld om te kunnen communiceren zonder dat concurrerende loodsmannen het konden verstaan. Zo bleef bijvoorbeeld de precieze locatie van een binnen te halen schip geheim. Zwanenburg: “Het is in ieder geval duidelijk dat het ontstaan iets met rivaliserende groepen te maken had.”

Het systeem is in de basis simpel: je draait delen van het woord om, maar houdt de volgorde van die delen in stand. Concurrentie: Noc-ruc-ner-tie. Het zijn vaak net niet lettergrepen, maar een combinatie van medeklinker-klinker-medeklinker: het eerste deel van ‘smokkelen’ is ‘smokk’. Dat wordt: koms-el-en. De laatste paar letters blijven bij sommige woorden staan, zodat bijvoorbeeld werkwoorden herkenbaar blijven. Het effect is vervreemdend voor buitenstaanders. Kanaal wordt nakaal, zing-en wordt gniez-en, var-en wordt rav-en, kopp-ie koff-ie wordt pokk-ie fokk-ie. “Keul-e deim is leuk-e meid”, grinnikt Ben Tap. “Zo stonden we voor de vishal zonder dat iemand ons verstond.”

De IJmuidense omkeertaal was in de gloriejaren niet de enige: precies 160 kilometer verderop, ontwikkelde zich eenzelfde soort taal, uit het Limburgs. De familie Steijvers, uitbaters van een café-restaurant aan de Belgische grens vlak bij Stramproy, deed onderling graag aan achteroetkalle (achteruitpraten).

De familie, kinderen en ouders, werkte in de negentiende eeuw nog in een weverij. “De kinderen wilden op maandagochtend bespreken wat ze in het weekend hadden gedaan”, vertelt Mieke van Hooff-Steijvers (77) bij haar thuis in het Brabantse Leende. “Maar zonder dat de ouders het verstonden.”

Van Hooff-Steijvers is de laatste nog overgebleven spreekster, de vierde generatie die de taal heeft gesproken. Ze leerde het vooral van haar moeder, haar vader verstond het wel maar sprak het niet. “Ik heb vaak genoeg gehoord dat iemand riep: ik ga het ook leren! Maar ze kwamen nooit verder dan een paar woorden.”

Toen de familie stopte in de weverij en het café aan de grens begon, bleek de taal heel handig als er onraad was. Van Hooff-Steijvers: „Dan zeiden we: ‘po sap!’” Toen de controleur van de gemeente het huis eens inspecteerde op verboden goederen, gaf de grootmoeder van Van Hooff Steijvers nog snel opdracht om een illegale baal garen het raam uit te gooien. “Jeug et raage raam et maar tu.”

Nu is er niemand meer met wie Van Hooff-Steijvers haar taal nog kan spreken. Haar broer Lei, die de taal nog beste sprak, overleed afgelopen maand. Alleen haar zus Truuj is nog over, maar die is met 94 jaar niet scherp genoeg meer om de taal nog te spreken.

Had ze de taal niet aan haar kinderen kunnen doorgeven? Van Hooff-Steijvers wilde wel, maar de liefde verhinderde dat. Ze trouwde met een Brabander en verhuisde naar Leende, waardoor haar kinderen nooit het Limburgs meekregen – de basis voor het achteroetkalle.

De stervende taal is nog wel vastgelegd, door de Nijmeegse taalwetenschapper Carlos Gussenhoven. Met een recorder bracht hij meerdere bezoeken aan Van Hooff-Steijvers en haar zus Truuj. Tot in detail beschreef hij de omdraairegels, de uitzonderingen, de onderliggende structuren. De publicatie (Achteroetkalle: A Dutch ludling) stuurde hij op naar Leende. Wat Van Hooff-Steijvers ervan vond? „Geen idee. Ik kan geen Engels.”

In IJmuiden is het aantal sprekers nog op een hand te tellen. „Sinds de jaren zestig werd het steeds minder gebruikt. Eigenlijk alleen nog voor vieze woorden”, zegt Zwanenburg. „Er kwam een nieuwe wereld met nieuwe communicatiemiddelen. En veel buitenlanders. De kinderen werkten niet meer in de vishal.” Maar toen Zwanenburg laatst Jan Clots tegenkwam bij de pier, begonnen ze gelijk weer in het achterstevoren. Het was de laatste keer. Jan Clots overleed zondag 22 mei.