Sharon van Rouwendaal hield vertrouwen in haar beul

Gouden medaille Swim, eat, sleep, repeat. Van Rouwendaal gedijt uitstekend in die sobere omgeving.

Sharon van Rouwendaal met de gouden medaille voor de 10 km openwaterzwemmen Robin Utrecht/ANP

Duizenden trainingskilometers maakte ze, in een baantje in het vijftigmeterbad van l’Espace de Liberté, een afbladderend zwemparadijs op een rommelig industrieterrein in Narbonne. Ze deed er ontelbare landtrainingen, overgeleverd aan de man die ze gekscherend haar „beul” noemde, de excentrieke zwemcoach Philippe Lucas.

Alle ellende, alle spierpijn, de kapotte armen en schouders en de talloze eenzame uren in het slaperige stadje in het Zuid-Frankrijk - alles was vergeten toen Sharon van Rouwendaal (22) maandagochtend tussen duizenden toeschouwers en zonaanbidders als olympisch kampioen uit zee kroop, het warme strand van de Copacabana op.

Van Rouwendaal kroonde zich in Rio met ogenschijnlijk gemak tot olympisch kampioen op het zwaarste onderdeel van het zwemmen, de tien kilometer in open water. Ze is de eerste zwemster uit Nederland die het goud pakt op dit onderdeel. Maarten van der Weijden won de olympische titel bij de mannen in 2008 in Beijing, toen de zwemmarathon voor het eerst op de olympische agenda stond. Hij was maandag ook aanwezig op het Braziliaanse strand.

„Dit is een ongelooflijk gevoel, want het is geen geweldig jaar geweest”, sprak Van Rouwendaal na afloop op de boulevard van Copacabana. „Ik heb een schouderblessure gehad, dus dit voelt zo fantastisch.”

Cannibale des bassins

De basis voor haar magnifieke zwemrace legde ze dus de afgelopen jaren in Narbonne. Daar vertrok ze naartoe toen ze in Eindhoven het gevoel had stil te staan, achteruit te gaan zelfs, onder Jacco Verhaeren. In haar jeugd – haar ouders emigreerden vanuit het Gooi naar Zuid-Frankrijk toen ze acht was – was ze gewend geraakt aan de enorme trainingsomvang in het Franse zwemmen. Ze had zich daar als kind al ontwikkeld tot één van de grootste talenten van Frankrijk. In de Franse media werd ze op haar veertiende al de cannibale des bassins genoemd, zoveel titels won ze in de zwembaden waar ze verscheen.

Maar haar terugkeer naar Nederland, waar ze onder Verhaeren ging trainen, liep niet zoals ze had gehoopt. In 2011 pakte ze verrassend brons op de WK in Shanghai, op de rugslag, maar de Spelen van Londen vielen tegen, en toen ze zich in 2013 niet wist te plaatsen voor de WK in Barcelona ruilde ze Verhaeren in voor Lucas, de oud-coach van topzwemsters als Laure Manaudou en Federica Pellegrini.

Van Rouwendaal vond dat ze veel te weinig kilometers maakte in sprintersland Nederland, en zag meer heil in de spartaanse cultuur waaraan ze in Narbonne is onderworpen. Ze lijkt soms zelfs te genieten van het harde regime van Lucas, de primitieve omstandigheden. Niks intelligente startblokken of onderwatercamera’s, niks zwemlaboratorium of lactaatmetingen, gewoon kilometers draaien in een ouderwetse klotsbak, buiten, ook als het vriest. Op haar rug zwemmen met ijsdruppels op de zwembril. Alles went, zegt Van Rouwendaal dan. Broodnuchter.

‘Sharon kaputt’

Bij Lucas trainen betekent dagen maken van achttien of negentien kilometer, gruwelsetjes zwemmen van 16 keer 100 meter, dan een paar sprints, om af te ronden met zes keer 1.200 meter. Lucas, geeuwend zittend op een startblok met twee stopwatches, bedenkt ze vaak ter plekke. „Sharon kaputt”, lacht hij dan cynisch. Veertig kilometer per week in Eindhoven werd negentig kilometer per week in Narbonne.

Swim, eat, sleep, repeat. Van Rouwendaal gedijt uitstekend in die sobere omgeving. Ze vindt er wat ze het liefst doet, kilometers maken. „Al die kilometers geven me zelfvertrouwen”, zei ze vorig jaar in NRC. En dat betaalt zich het beste terug in open water, weet ze sinds twee jaar. Lucas wilde haar wel eens zien op de tien kilometer. Al in haar tweede race werd ze Europees kampioen, in Berlijn.

Een keerzijde heeft het ook, haar extreme trainingsregime, merkte ze afgelopen jaar. In december was ze plotseling wakker geworden van de steken in beide schouders, met pijn tot in haar ellebogen. Dit keer was het geen spierpijn - ze kan het onderscheid niet altijd voelen. Van Rouwendaal was gedwongen het een paar weken rustig aan te doen - voor haar doen - om Rio niet in gevaar te brengen. Ze was zelfs boos geweest op Lucas, omdat hij haar fysieke klachten aanvankelijk had genegeerd. „Ik vroeg hem een keer: Philippe, komt het goed? Toen zei hij: ja, het komt goed”, vertelde Van Rouwendaal afgelopen voorjaar bij de EK in Londen, waar ze nog kracht tekort kwam. Ze hield vertrouwen in hem.

De laatste tien meter was het van: yeah!

In Rio kwam het er dus allemaal uit op een warme, wolkenloze dag aan het beroemdste strand van de wereld. Het ging snel, in 1 uur, 56 minuten en 32,1 seconden. Van Rouwendaal was tijdens haar race onder Fort Copacabana vooral verrast hoe licht ze zwom in de hoge deining van het Braziliaanse kustwater. Zelden voelde ze zich zo sterk. „Ik zwom zo makkelijk in het begin”, zei ze na afloop op de boulevard. „Na zes kilometer ben ik gaan sprinten, met mijn benen erbij. Ik keek om me heen of ze achter me aan kwamen, maar ik voelde ze niet aan mijn tenen. Ze konden me niet bijhouden.”

Vier zwemsters bleven in haar spoor, onder wie de gevaarlijke Française Aurélie Muller, ook uit de stal van Phillipe Lucas in Narbonne. Zij versloeg Van Rouwendaal vorig jaar op de WK in Kazan. Maar in Rio werden de rollen omgedraaid. De laatste kilometer wist de Nederlandse zwemster dat ze sterk ging finishen. „Ik voelde me niet moe. Ik wist de laatste vierhonderd meter dat ik ging winnen. De laatste tien meter was het van: yeah!

Op de EK in open water in Hoorn, eerder deze zomer, verspeelde Van Rouwendaal in vergelijkbare positie nog de Europese titel, doordat ze een boei had gemist. Die harde les leerde ze op het goede moment. Want in Rio maakte ze de meest dankbare krachtsinspanning van haar carrière met groot machtsvertoon af. Ploeggenote Muller tikte aan als tweede in een spannende eindsprint met drie anderen, maar kreeg uiteindelijk een diskwalificatie aan haar broek.

De gouden medaille van Van Rouwendaal betekent ook het eerste eremetaal voor de Nederlandse zwemploeg in Rio. In het zwembad haalde de ploeg voor het eerst sinds 1992 (Barcelona) geen medailles. Dinsdag zwemmen de mannen de tien kilometer in open water, met goede medaillekansen voor Ferry Weertman, de vriend van Ranomi Kromowidjojo.