‘Ook Indische Nederlanders zijn kil ontvangen’

Interview Erry Stoové, bestuursvoorzitter Stichting Herdenking 15 Augustus 1945, voelde als kind in Nederlands-Indië het stille verdriet van zijn vader en grootvader. Je moet naar het verleden kijken om ervan te leren, vindt hij. Vandaag opent Stoové de Indië-herdenking.

©

Vraag Nederlanders wanneer ‘we’ werden bevrijd, en de overgrote meerderheid zal antwoorden: op 5 mei. Op die dag, 71 jaar geleden, regelden de Duitse generaal Blazkowitz en de Canadese luitenant-generaal Foulkes in het bijzijn van prins Bernhard de capitulatie van de Duitse strijdkrachten in Nederland.

Maar voor de inwoners van Nederlands-Indië zou de bevrijding nog ruim drie maanden op zich laten wachten. Het waren „héle zware maanden” waarin de Japanners „vreselijk hebben huisgehouden”, zegt Erry Stoové, voorzitter van de Stichting Herdenking 15 Augustus 1945. „Terwijl Nederland feestvierde, moest in dat deel van het Koninkrijk der Nederlanden het ergste nog komen.”

Deze maandag opent Stoové het programma voor de jaarlijkse Indië-herdenking, nadat hij zondag een toespraak tot het parlement heeft gehouden. De voorzitter – in oktober 2015 volgde hij Jan Kees Wiebenga op – bezoekt al twintig jaar de herdenking bij het Indisch Monument in Den Haag. „Steeds weer word ik verrast door mijn eigen emotie. Die lichte trilling in mijn binnenste… het gaat nooit over.”

Errol Frank – Erry – Stoové werd in 1947 geboren in Surabaja. Hij heeft geen directe herinnering aan de oorlog. Maar als kind voelde hij wel het „stille verdriet” van zijn ouders en grootouders. Zijn grootvader werd in de oorlog zonder vorm van proces opgesloten door de Japanners. Hij overleed kort voor de bevrijding in een gevangenis in Bandung. Stoovés vader werkte als krijgsgevangene aan de Birmaspoorweg. Hij raakte blind aan één oog door een ontsteking die hij opliep tijdens het kappen van bamboebossen.

U spreekt van ‘stil verdriet’. Werd er thuis nooit gesproken over de oorlog in Nederlands-Indië?

„Over de lotgevallen van mijn opa heb ik gehoord van mijn oma. Zij vertelde dat mijn familie tot de ‘buitenkampers’ behoorde, een groep Indische Nederlanders die in de oorlog buiten de jappenkampen leefden. Er stond geen hek om hun huis, maar ze leefden onder moeilijke omstandigheden. Op een dag vertelde een tante aan mijn grootvader dat ze had opgevangen dat er een aanval op Semarang was geweest. Mijn grootvader vertelde dat aan een huisgenoot, die het weer doorvertelde aan een Indonesische verkoper die vaak aan de deur kwam. Later bleek dat die man een spion van de Japanners was. Hij ‘verraadde’ mijn grootvader.”

En het verhaal van uw vader?

„Ik heb hem natuurlijk gevraagd waarom hij aan één oog blind was. Hij vertelde dat hij een dubbele ooginfectie had opgelopen door bamboegruis. De artsen stelden hem voor de keus: één oog redden met net genoeg zalf, of een beetje zalf in beide ogen smeren met het risico volledig blind te worden. Voor mijn vader was het een fact of life. Hij wilde er geen drama van maken.”

En toch voelde u zijn stille verdriet.

„Ja. Aan zijn sterfbed in het ziekenhuis hebben we er over gesproken. Mijn vader zat onder de morfine, daardoor kwam de oorlogspijn naar boven. Als ik langskwam tijdens het avondbezoek, klampte hij zich aan mij vast: ‘Moet je horen wat de Jappen nóú weer hebben gedaan.’ Ik was zeventien en had geen notie van wat hij had meegemaakt. Mijn pogingen hem gerust te stellen vielen niet in goede aarde. ‘Je begrijpt het niet’, zei hij.”

Stoové vertelt dat zijn vader na de oorlog voor een Nederlands bedrijf in Indonesië werkte. Tot 1957, toen de eerste president van de republiek, Soekarno, alle Nederlanders sommeerde het land te verlaten. „We werden op een schip naar Singapore gezet en van daaruit naar Nederland getransporteerd. Het ging heel snel, maar ik heb het als tienjarige bewust meegemaakt. Daardoor weet ik hoe het is om huis en haard te moeten verlaten.”

En daardoor kent u als voorzitter de gevoelige kwesties rond Nederlands-Indië?

„Het is voor mij inderdaad niet zomaar een bestuurlijke functie. Het staat heel dicht bij mij.”

Verraste het u dat ze u vroegen voor de functie?

Hij lacht. „Nou ja, ik heb veel voor de Indische gemeenschap gedaan. Ik ben voorzitter geweest van stichting Pelita, die zich inzet voor Indische oorlogsgetroffenen. Ik heb het Indisch herinneringscentrum in Arnhem helpen opzetten. En ook als bestuursvoorzitter van de Sociale Verzekeringsbank kreeg ik met de oorlog in Nederlands-Indië te maken.” [De SVB is sinds 2011 belast met de uitvoering van de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen.]

De bevrijding van Nederlands-Indië krijgt veel minder aandacht dan de bevrijding van Nederland. Hoe verklaart u dat?

„De Nederlandse samenleving heeft die bevrijding vrij laat ontdekt. Pas in de tachtiger jaren – na veel druk vanuit de Indische gemeenschap – kwam de erkenning. Toen heeft 15 augustus zich als datum gemanifesteerd: bestuurlijk, politiek én in de harten van de mensen.”

Waarom heeft het zo lang geduurd?

„De verhalen van de Indische Nederlanders die in de jaren veertig, vijftig en zestig naar Nederland kwamen, vielen in dorre aarde. De minst erge reactie was: ‘Wij hebben het hier ook niet makkelijk gehad met de Duitsers.’ Men kon zich in Nederland geen voorstelling maken van wat daar is gebeurd.”

Kregen Indische Nederlanders net zo’n kille ontvangst als de Joden die uit de kampen terugkeerden?

„Ik doe niet aan leedhiërarchie, maar het is waar dat er overeenkomsten zijn in die kille ontvangst. Zowel Joden als Indische Nederlanders konden hun emoties na de oorlog niet kwijt. Daarom heb ik als voorzitter van Pelita veel samengewerkt met Joodse instanties, zoals Joods Maatschappelijk Werk. Beide groepen zijn getraumatiseerd.”

Later in het gesprek trekt Stoové een vergelijking tussen de Joodse overlevenden die na de oorlog een boete van de gemeente Amsterdam kregen omdat zij geen erfpacht hadden betaald, en de KNIL-militairen die van de Nederlandse overheid hoorden dat zij hun tijdens krijgsgevangenschap niet uitbetaalde soldij maar moesten opvragen in Indonesië. Stoové vindt het „uitwassen van bureaucratisch gedrag”.

Volgens Stoové hebben twee miljoen mensen in Nederland banden met het voormalige Nederlands-Indië. Een groot deel vindt volgens hem dat Nederlanders vaker zouden moeten stilstaan bij de gebeurtenissen in Nederlands-Indië, zowel op 15 augustus als tijdens de Dodenherdenking op 4 mei. „Tijdens de laatste 4-meiherdenking is het Indische Onze vader gezongen. Dat wordt gewaardeerd. Maar ik hoor ook vaak mensen zeggen: laten we die periode tussen 5 mei en 15 augustus niet vergeten. 15 augustus was het einde van de Tweede Wereldoorlog voor het Koninkrijk der Nederlanden. Niet eerder.”

Krijgt het einde van de oorlog in Nederlands-Indië ook niet minder aandacht omdat de vijand moeilijker te visualiseren is?

„Zeker. Over de vijand in Nederland worden al generaties verhalen verteld. Mijn schoonvader heeft hier in het verzet gezeten als jonge jongen. Wandelde ik met hem door Utrecht, dan kon hij mij de boekhandel aanwijzen waar hij illegaal wapens bracht. Het was heel zichtbaar.”

Na de capitulatie van Japan brak een periode aan waar Nederlanders niet graag aan terugdenken. Zou dat niet mede verklaren waarom er relatief weinig belangstelling is voor de herdenking op 15 augustus?

„U bedoelt dat het vier jaar heeft geduurd voordat Nederland Indonesië zelfstandigheid gaf? Ja, dat lag direct na de oorlog gevoelig in de Indische gemeenschap. Maar nu speelt dat geen rol van betekenis meer.”

Er zijn ook excuses aangeboden aan de nabestaanden van slachtoffers van executies die in 1947 door Nederlandse militairen zijn uitgevoerd.

„Wij kampen in Nederland nog met schuldgevoel. Sommigen vinden dat aan de kaak moet worden gesteld hoe de Nederlandse militairen zich gedragen hebben. Maar als ik met ouderen in Indonesië praat – ik ben er veel geweest – hoor ik die geluiden niet. Men heeft geen behoefte het verleden op te rakelen. Hooguit hoor je de verzuchting: had Nederland niet op 17 augustus 1945 kunnen erkennen dat wij een zelfstandige staat zijn? Het was een oorlog en…”

…in een oorlog gebeuren nu eenmaal vreselijke dingen.

„Precies. Van twee kanten. Mijn stelling is dat je naar het verleden moet kijken om ervan te leren, niet om coûte que coûte te willen herstellen.”

Toch verbaasde u zich er tijdens uw toespraak in de Tweede Kamer over dat de achtereenvolgende regeringen in Japan nog geen „onvoorwaardelijke spijt” hebben betuigd voor de gruwelijkheden.

Hij zwijgt even. „Ja, ik begrijp het gewoon niet.”

Waarom denkt u dat dat nog niet is gebeurd?

„Waarschijnlijk is het een cultuurkwestie. Spijt betuigen gaat in Japan met schaamte gepaard. Als een CEO daar heeft erkend dat hij iets doms heeft gedaan, moet hij op zijn minst aftreden, zo niet harakiri plegen.”

Verwacht u die excuses nog?

„Ik ben geen Japan-kenner. Ik zeg alleen: ik begrijp het niet. Ik zal het nooit begrijpen.”

Maar herdenken, hoor ik u zeggen, blijft van groot belang.

„Ja. Het is een erezaak. Maar het is ook belangrijk voor toekomstige generaties. 15 augustus zal steeds meer waarde krijgen. We leven in een onzekere wereld en moeten bedacht zijn op grillige bestuurders.”

Uw vader zei al dat u het als jongen niet begreep. Hoe wilt u de jongeren van nu bereiken?

„Met de juiste woorden. Niet voor niets hebben we de Nederlandse zanger Blaudzun gevraagd iets bij de Indiëherdenking te zingen. Via het hart proberen we jongeren te bereiken.”