Ondernemende kunstenaar moet leren niet meer in potjes te denken

Het is een misvatting dat ondernemerschap in de kunst een kwestie is van sponsoren zoeken in plaats van subsidie aanvragen, vinden schrijver Paulien Derwort en zangeres Muriel Kloek. Leer jezelf maar eens vermarkten, kapitaliseer je werk.

Het was weer juichen of grienen bij het verdelen van de subsidies voor podiumkunsten. Dit geweeklaag past wel bij het romantische ideaal rond de kunstenaar. Ten koste van zijn eigen portemonnee maakt hij de mooiste, ´zuiverste´ creaties. Geld is geen drijfveer, maar iets waar hij altijd tekort aan heeft. Want een échte kunstenaar creëert uit innerlijke noodzaak en niet voor zoiets verderfelijks als geld. Probleem is dat we door deze mentaliteit de kunst niet beschouwen als nuttige economische sector, maar als kostenpost waar de gemeenschap voor op moet draaien.

Kunst is waardevol. Het maakt het dagelijks leven mooier en het is de ultieme ‘voorbij de waan van de dag’-remedie. Het brengt emotie in het rationele, publieke domein. Het brengt mensen bij elkaar; een gedeelde ervaring van iets moois of ontroerends werkt verbindend. Tot zover de romantische kant. Want daarnaast heeft kunst ook een economische functie. Kunst en cultuur zijn ‘s lands visitekaartje. Het maakt steden aantrekkelijk en stimuleert lokale bedrijvigheid.

Kijk naar Rotterdam. De stad investeerde flink in architectuur, festivals en kunst en is nu populairder dan ooit. Slimme citymarketing? Waarschijnlijk, maar dat is ondernemerschap: je product in de etalage zetten en behoefte creëren die er eerder nog niet was. Dat ondernemerschap ontbreekt vaak bij de kunstenaar. Voor hem is ondernemen en alles wat daarbij hoort een hinderlijke onderbreking van het ‘echte’ werk. Deze mentaliteit wordt bevestigd op academies. Als daar al ondernemersvaardigheden bijgebracht worden, beperkt het zich tot wat belastingfeitjes en boekhoudtips.

Ondernemerschap ontbreekt ook bij de overheid, die op een rigide wijze subsidies verstrekt: óf hakken met de botte bijl, óf een instelling aan het infuus houden. Kunst wordt zo niet behandeld als investering maar als structurele kostenpost. Er ligt dus een taboe op geld verdienen in de kunst. Maar als we blijven denken dat kunst slechts door idealen gedreven kan zijn, houden we de sector in een underdogpositie.

Natuurlijk is de kunstenaar vrij om ook werk te maken waar hij geen cent voor krijgt. Experimenteer, maar leer jezelf wel vermarkten. De kunstenaar moet z’n werk op waarde leren schatten, dat kapitaliseren. Niet meer ‘waar kan ik mijn werk slijten’ maar ‘hoe creëer ik behoefte?’. De overheid kan dat ondersteunen met kortlopende investeringen. Want de ondernemende kunstenaar is vrij, innovatief en grensverleggend. Bovendien zit er in tegenstelling tot gesubsidieerde instellingen, geen plafond aan zijn verdiensten: the sky is the limit. Ondernemerschap is dus bij uitstek de manier voor de kunstenaar om te floreren. Als we kunst en ondernemerschap samenvoegen verdwijnt die fictieve tegenstelling tussen kunst en verdienen. Het vermogen om je kunst aan de man te brengen hoeft geen ‘noodzakelijk kwaad’ te zijn. Het dwingt je om kritischer naar je werk te kijken en je af te vragen wat de meerwaarde is. Dat levert de mooiste creaties op.

Daarnaast is de kans groot dat we kunst terug zullen vinden buiten concertgebouw, museum of uitgeverij. Dat trekt mensen die gewoonlijk niet met kunst in aanraking komen. We gaan kunst terugzien in de verwevenheid van ons dagelijks leven, daar waar we het nodig hebben. Een misvatting om te denken dat ondernemerschap in de kunst een kwestie is van sponsoren zoeken in plaats van subsidie aanvragen. Het vergt een mentaliteitsverandering. Overheid, bedrijven en kunstsector kunnen daar samen voor zorgen. Door kruisbestuiving haal je de kunstenaar uit zijn gesloten circuit. Denk in groeimodellen in plaats van in ‘potjes’. De kunstenaar moet winst willen maken, een beetje van geld gaan houden.