Een worsteling met het wilde en ongetemde

Boek

The Goshawk heeft een moderne vertaling gekregen.

Op een dag in 1937 ontvangt de Britse schrijver T.H. White een ‘ronde wasmand met een zak erover’. Daar binnenin gaat iets als een wilde tekeer. Het is een havik, als jonge vogel gevangen op zijn nest in de Duitse wouden. Voor White is deze havik Macbeth en Hamlet tegelijk, een monsterlijke vogel maar ook een die behoort tot de ‘adel van de lucht’. Hij noemt het dier Gos.

White (1906-1964) leeft als kluizenaar in een bouwval, samen met een doorgezakte fauteuil, flessen whisky, een fornuis en een bed. Hij bezit drie handboeken over het africhten van een havik en had niet eerder een roofvogel. Dit is vragen om moeilijkheden. Zijn klassieke boek over deze mentale en fysieke strijd heet The Goshawk (1951), nu opnieuw vertaald als De havik. White verwierf wereldfaam met het verhalenepos rond koning Arthur, The Once and Future King (1958), dat ook over valkerij gaat. Deze cyclus vormt weer de belangrijkste inspiratiebron voor de Harry Potter-boeken van J.K. Rowling.

Hiermee is het havikenverhaal nog niet voorbij. In 2014 verschijnt De H is van havik van Helen Macdonald, waarin zij de rouw om haar gestorven vader verbindt met het temmen van een havik. White en Gos spelen daarin een belangrijke rol. En passant schrijft Macdonald een onthullende biografie over White en zoekt ze naar de reden van zijn passie voor dit ongenaakbare dier.

Het is jammer dat de moderne vertaling een nawoord ontbeert, want The Goshawk staat aan het begin van een belangrijke literaire traditie. Sinds verschijning krijgt het boek telkens een nieuw leven: zowel als inspiratiebron voor Harry Potter, die een sneeuwuil hield, als voor Macdonalds avonturen. En nu dus in een adequate, ferme vertaling.

Nog steeds bezit White’s oorspronkelijke worsteling met het wilde en ongetemde een fascinerende kracht. Hij volgt de ouderwetse methode van valkeniers, zoals die staat beschreven in 17de-eeuwse handboeken, door de vogel uit de slaap te houden en hongerig te laten. White beschrijft prachtig hoe hij, slaapwandelend en Shakespeare reciterend, met de vogel op zijn vuist de nachten doorbrengt. Het gaat erom de vogel te laten wennen aan menselijke aanwezigheid, net zolang tot Gos voedsel aanvaardt. Er ontstaat een intieme band tussen vogel en man.

White betoont openhartigheid en spijt als hij fouten maakt. De tragiek van De havik schuilt in het slot: de vogel vliegt weg en keert nooit meer terug. Kan deze vogel in het wild overleven? Het is een vraag vol pijn die bij de lezer achterblijft.

Mede dankzij de uitvoerige annotaties die de historische context belichten, schetst De havik ook een beeld van het Britse Rijk aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. De passages die White wijdt aan het bedreigde eilandenrijk zijn indringend. Er is een nieuwe, angstige tijd op komst en daarin hoort een kluizenaar die zijn macht viert over een woudvogel niet thuis. Het verlies van de vogel grijpt hem aan, want hij was immers verbonden met de vogel ‘door de koorden van mijn hart’.