Dat complotdenken is bepaald niet nieuw in Turkije

Opinie Het Turkse leger heeft talloze malen in de politiek geïntervenieerd door zich met van alles te bemoeien, schrijft Thijl Sunier.

Foto Dimitar Dilkoff/AFP

Ahmet Erdogan wil dan wel uitdrukkelijk vermeld zien dat hij geen familie is van de Turkse president, maar hij debiteert dezelfde complottheorieën als zijn naamgenoot (NRC, 9/7). De (mislukte) coup in Turkije in juli verschilt volgens hem van de vorige coups, voornamelijk omdat de Gülenbeweging er nu achter zou zitten.

Deze beweging zou zich volgens Erdogan in de afgelopen jaren diep hebben ingegraven in de Turkse staat en zo een staat in de staat hebben gecreëerd. De auteur spreekt zelfs van een ‘maffiastaat’.

Wie achter de coup zit, staat op dit moment niet vast, maar voor Erdogan bestaat daarover kennelijk geen twijfel. Niet alleen toont de auteur een schrijnend gebrek aan achtergrondkennis over de rol van het leger in het naoorlogse Turkije, hij presenteert hier niet meer dan een nieuwe versie van een oud verhaal uit de Turkse politieke geschiedenis.

Het Turkse leger heeft drie keer de macht gegrepen: in 1960, 1971 en 1980. Eén keer, in 1997, werd de toenmalige regering de wacht aangezegd door het leger, middels een memorandum. En de meest recente poging is dus die van juli dit jaar. Daarnaast heeft het leger talloze malen in de politiek geïntervenieerd door zich met van alles te bemoeien. Het leger had tot het aantreden van de AKP, president Erdogans partij, in 2003 een grote staatsrechtelijke, economische en ideologische vinger in de pap.

Het is in elk geval de verdienste van Erdogan dat die dominante positie in de afgelopen tien jaar afgebroken is.

Rond al deze legerinterventies deden altijd verhalen de ronde dat er sprake zou zijn van een ‘staat in de staat’, een ‘parallelle structuur’ die zich onttrekt aan de normale parlementaire controle. Het bestaan van zulke structuren, de ‘diepe staat’ zoals dat wel wordt genoemd, was interessant genoeg iets dat zowel door coupplegers als door tegenstanders gebruikt werd om zo een bepaalde groep als de schuldige aan te wijzen. Waar die schuldigen gezocht moesten worden, hing af van de politieke conjunctuur van de dag.

Hoewel dit soort beschuldigingen nagenoeg nooit bewezen zijn, waren de gevolgen niet gering: massale arrestaties, in veel gevallen ook een aanzienlijk aantal doden en vaak ook een radicale ingreep in het politieke landschap.

Het argument was altijd dat de staat dreigde te worden overgenomen door gevaarlijke ondergronds opererende tegenkrachten. Gewone oppositie werd op deze manier weggezet als staatsgevaarlijk.

Dit soort complotdenken heeft zich sinds vele decennia stevig in de Turkse politieke cultuur genesteld. Niets nieuws onder de zon dus. De verwijzing naar zo’n geheime en schimmige politieke onderwereld door Turkijewatchers als Ahmet Erdogan klinkt gewichtig en geleerd, maar stelt in wezen weinig voor.

De auteur lijkt ook te suggereren dat het leger vanouds bestond uit kemalistische officieren die de scheiding van religie en staat beschermden, maar die nu te maken hebben met infiltratie door religieuze groepen. Het Turkse leger zien als een neutrale waakhond van de staat, is echter net als het bestaan van een parallelle structuur een hardnekkige, maar nauwelijks onderbouwde voorstelling van zaken. Juist de verdeeldheid binnen het leger en de rol die het moet spelen in de samenleving is altijd een punt van politieke controverse geweest in Turkije. Het vormde niet zelden een belangrijke kwestie bij verkiezingen.

Vanaf de jaren veertig, toen Turkije lid van de NAVO werd, heeft het leger altijd uit verschillende fracties en bloedgroepen bestaan. Juist doordat het leger concrete politieke en economische belangen had, was er van eenheid nooit sprake.

Dat beeld van het leger als hoeder van de seculiere staat doet het goed als mantra, maar gaat volledig voorbij aan het complex van factoren dat aan iedere staatsgreep ten grondslag lag. Die complexiteit negeert Ahmet Erdogan volledig.