Toch wel trots op brons

Roeien

Pas na de huldiging en de felicitaties verdween het katterige gevoel dat de roeiers van de Holland Acht direct na de finish bekroop.

Exact twee jaar geleden ronkte een krantenkop: ‘Holland Acht is niet meer de oude’. Een verhaal over de teloorgang van een roeiboot, die in 1996 naam maakte met een olympische titel in Atlanta. De Holland Acht was sindsdien een A-merk, maar gaandeweg zonder de bijbehorende kwaliteit. Sinds zaterdag is dat beeld enigszins gekanteld dankzij een bronzen medaille in Rio.

Pas na de huldiging en de vele felicitaties van familie en vrienden verdween het katterige gevoel dat de acht roeiers en hun stuurman onmiddellijk na de finish bekroop. Ze waren naar Rio gekomen voor goud en moesten zich tevreden stellen met brons. Shit happens, dat gevoel.

Ze hadden er temeer de pest in, omdat ze op de laatste meters voorbij waren geroeid door Duitsland. Gingen de Duitsers, achter de winnende Britten, ook nog met het zilver aan de haal. Dat voelde als een zware nederlaag. Of, zoals Boudewijn Roëll het plastisch uitdrukte: „Je maakt drie kuthalen en dan gaan die Duitsers nog over je heen.”

Eenmaal met vaste grond onder de voeten keerde het realisme terug bij de roeiers. Groot-Brittannië één, Duitsland twee en Nederland drie, zo liggen tegenwoordig de verhoudingen bij de achten. In die volgorde finishten ze een jaar geleden ook bij de WK in het Franse Aiguebelette.

Na hun machtige overwinning eind mei bij de wereldbekerwedstrijd in Luzern bekroop de Nederlanders het gevoel van onoverwinnelijkheid en de hoop op olympisch goud. Dat goede gevoel van ‘Luzern’ keerde evenwel niet terug, ook niet in Rio de Janeiro. Op het olympische water werd de oude rangorde hersteld.

Boudewijn Roëll, de krachtpatser die tot de motoren van de Holland Acht wordt gerekend, nam na afloop de bronzen plak in zijn handen, wreef erover en evalueerde dat hij en zijn maten toch een mooie prestatie hebben geleverd. „Ik ben heel blij met brons en een beetje teleurgesteld dat we zilver hebben verspeeld.”

De Leidse geneeskundestudent blikt trots terug op de olympische voorbereiding. Nadat de Holland Acht in 2013 stuurloos was geworden, werd de koers in 2014 verlegd door de teruggekeerde coach Mark Enke. De Holland Acht werd een ‘prioriteitsboot’ met een nieuw geselecteerde bemanning. De beste boordroeiers werden bijeengebracht en de weg naar Rio werd ingeslagen.

Dat betekende elke dag twee keer trainen, kilometers maken en maar schaven aan de techniek. Roëll: „Het was hard werken tot de ploeg een sterk geheel vormde. Dat ging min of meer vanzelf. We begonnen op de Bosbaan altijd met een bakkie en even bijpraten. Zo kom je tot elkaar.”

Natuurlijk was het niet dagelijks pais en vree. Met een boot vol mannen is het ook vaak hengstenbal. Vertel Roëll wat. Maar haantjesgedrag ontwrichtte volgens hem niet de cohesie. „De ene keer kun je elkaar de hersens inslaan, anderzijds ontwikkelt zich een sterke onderlinge band. Als we er moeten staan, staan we er. Dat proces heeft coach Enke in goede banen geleid. Nee, praatsessies hielden we zelden. We zijn ook heel direct naar elkaar geweest. Als iemand zich aan iets stoorde, kreeg je dat te horen. Zo hielden we elkaar in het gareel.”

Met een mooi resultaat tot gevolg. Niet zo mooi als het goud van de Holland Acht in 1996, maar dat was ook een uitzonderlijk goede boot, zegt Roëll. „Die erfenis voelt niet als een last. Het was voor mij juist de inspiratie om te gaan roeien. Toen ik als zeventienjarige begon in de eerstejaarsacht keken we naar de video van de Holland Acht. Omdat het zo vet is. We waren graag hun troonopvolger geworden, om die Hollandse traditie voort te zetten, maar ik vind dat we ook trots op brons mogen zijn.”

Hoe nu verder? Roëll weet het niet. Zijn agenda zat vol tot 13 augustus en hij moet op 12 september aan zijn co-schappen beginnen. Zijn toekomst als roeier is ongewis. Of de sport blijft te combineren met zijn nieuwe verplichtingen moet hij nog ervaren.

Roëll: „Ik wil best door tot en met de Spelen in Tokio, maar dat hangt af van de plannen van de bondscoach. Als hij wil dat ik fulltime ga trainen en ik kom in conflict met mijn co-schappen, moet ik daar goed over nadenken. Of hier, in Rio, een eind aan mijn roeicarrière is gekomen? Misschien. Maar ik neig ook naar doorgaan.”