Erasmus bewonderde hem

Filosofie

De 15de-eeuwse Groningse denker Rudolf Agricola was een Europese grootheid. Hij én zijn netwerk verslonden antieke teksten en schreven elkaar in het klassieke Latijn, wat nu vertaald is.

Ooit, onderweg naar de middelbare school in Groningen, kwam ik langs de Agricolastraat. Ik had op die school geleerd dat ‘agricola’ het Latijn voor boer was en vermoedde dat degene naar wie ze de straat hadden genoemd daarom nooit veel zaaks kon zijn geweest: een Groninger boer die zich met een Latijnse naam had getooid en zich op een of andere wijze verdienstelijk had getoond.

Dat was mijn eerste kennismaking met Rudolf – in het Gronings ongetwijfeld Roelof – Huisman. Ik geef toe, hij is me lang een onbekende gebleven. Later vernam ik dat Agricola (1443-1485) een middeleeuwer was, die zich onder meer met de bouw van het orgel van de Martinikerk in Groningen heeft bemoeid, wat hem er alleen maar raadselachtiger op maakte.

Die onwetendheid is nu voorbij. Fokke Akkerman en Adrie van der Laan, bezorgers van onder meer de Latijnse brieveneditie van Agricola, hebben die nu samen met Agricola’s Leven van Petrarca en enkele biografische schetsen van auteurs die Agricola min of meer hebben gekend, uit het Latijn in het Nederlands vertaald en voorzien van aantekeningen en een zeer ruime inleiding. Om kort te gaan: uit alles blijkt dat Agricola een Europese grootheid is geweest, bewonderd door onder anderen Erasmus, en een van de wegbereiders van de Renaissance ten noorden van de Alpen. Dat is geen kleinigheid.

Agricola bewoog zich in een ‘republiek der letteren’ waarvan wij slechts kunnen dromen. Zijn vijftiende-eeuwse Europa had geen hinderlijke grenzen en elke intellectueel, of wie dat wilde zijn, beheerste het Latijn. De kennis van die taal zorgde voor een gemeenschappelijke literaire cultuur, waarmee iedereen die geletterd was opgegroeid was. Men verstond elkaar destijds gemakkelijker dan wij nu.

Zo kon het gebeuren dat een Groninger jongeman op een dag organist van het hertogelijk hof van Ferrara kon worden, later in heel West-Europa bekend en geroemd werd vanwege zijn vernieuwende werk over de retorica, De dialectische vinding, in Vlaanderen en Duitsland eervolle betrekkingen kreeg aangeboden, bewonderd werd vanwege zijn beheersing van het Latijn, maar die toch steeds weer terugkeerde naar de stad Groningen, die hem soms weleens de keel uithing maar hem tegelijk dierbaar was. Het was ‘de vertrouwdheid van het vaderland en een of andere geheimzinnige band’ die hem er telkens deed terugkomen. Hij had er de functie van stadssecretaris en ambassadeur en hoefde zich er ook verder niet te vervelen.

In een later biografisch fragment lezen we dat een aangeschoten Agricola na een gezellige avond door een leerling thuis moest worden gebracht en van zijn laarzen moest worden verlost. Even ten noorden van de stad Groningen lag het bijzonder grote klooster van Aduard, destijds ook een intellectueel centrum, dat de geschiedenis is ingegaan als de ‘Aduarder akademie’, dat wil zeggen een kring van intellectuelen, die niet zelden van ver kwamen om er aan te schuiven.

Het begin van de Renaissance in Nederland

Van Agricola zijn aanmerkelijk minder brieven (51) bewaard gebleven dan van Erasmus (3.141), maar hun belang is daardoor niet geringer. Ze zijn de levendige neerslag van de intellectuele cultuur van Noord-Europa in de tweede helft van de vijftiende eeuw die misschien niet de Nederlandse canon heeft gehaald, maar toch het eerste begin van de Renaissance in onze streken aankondigt.

Agricola was beroemd om zijn beheersing van het Latijn. Zelfs in Italië, waar hij net als zoveel noorderlingen lange tijd verbleef om er zijn licht op te steken, oogstte hij bewondering. Het was een wereld waarin een briljante jongeman uit Baflo voor een uitgelezen Italiaans gehoor een biografische schets van Petrarca in het Latijn kon voordragen. Het is tegelijk ook een bewonderend essay van iemand die voor de toen nog jonge Agricola een voorbeeld was.

In een tijd dat de post met kooplui moest worden meegegeven, reizen lang duurden en er door uitbraken van pest en oorlog niet gemakkelijker op werden, onderhield hij met zijn brieven een netwerk van vrienden en studiegenoten in Duitsland. Zo’n netwerk was noodzaak voor wie zich in de toenmalige feodale samenleving wilde bewegen.

Pose

Toch is er voor iemand van onze tijd iets vreemds aan die wereld die zich gulzig tegoed deed aan de klassieken, voor wie taal, stijl en literaire cultuur van bijna 1.500 jaar geleden maatgevend was. Zo’n leven en denken in een oude taal met de bijbehorende cultuur lijkt soms een pose; er wordt een groot en grandioos toneelstuk opgevoerd waarin de spelers degene bewonderen die het best zijn rol kent.

Voor ons is zoiets onbegrijpelijk, niemand zou het zich kunnen voorstellen dat het opnieuw zou gebeuren, dat mensen antieke teksten zouden verslinden en elkaar brieven in het klassieke Latijn zouden schrijven, soms – zoals bij Agricola – afgewisseld met een passage in klassiek Grieks. Toch is het niet zo lang geleden dat in het Latijn college werd gegeven.

De vertalers en bezorgers hebben goed werk afgeleverd. Natuurlijk is het jammer dat de brontekst niet is afgedrukt, waardoor de liefhebber Agricola’s stijl niet in de oorspronkelijke taal kan ervaren, maar Nederlandse uitgevers zijn nu eenmaal nooit scheutig met bronteksten. Het is ook jammer dat er een register ontbreekt en het Nederlands van de vertaling af en toe wat schools is, maar dat zijn overkomelijke bezwaren. Voor liefhebbers van de Nederlandse intellectuele geschiedenis zal dit boek zeer welkom zijn.