Eindelijk een verklaring voor die vreemde oude dijken in het bos

Archeologie

Bijna geen archeoloog kende het enorme wallencomplex bij Zelhem. Het lijkt een 18de-eeuwse stuifzandwering.

Foto Theo Toebosch

Archeoloog Karsten Wentink verlaat het pad en gaat voor door het bos. Tussen de struiken en bomen rijst een aarden verhoging op. Aan de kuiten is te voelen dat hij steil en zes, zeven meter hoog is.

Op zijn telefoon toont Wentink een hoogtekaart van Landgoed Het Zand bij Zelhem in de Achterhoek. In donkerbruin tekent zich duidelijk een grote omwalling af, met daarbinnen een tweede. Aan de zuidwestkant loopt een wal door; twee andere wallen staan er haaks op. „Wat is dit?”

Het is de vraag die Wentink zich al tien jaar stelt. Hij was nog derdejaarsstudent archeologie aan de Universiteit Leiden, toen hij het bos bij Zelhem ineens met andere ogen ging bekijken. „Mijn ouders wonen aan de rand ervan. Tijdens een van mijn bezoeken liet de eigenares van het landgoed me een kaart uit het Actueel Hoogtebestand Nederland zien. Pas toen viel me op dat de wallen en hellingen waarop ik had gespeeld een groot geheel vormden.”

Met twee medestudenten ging hij de aarden wallen onderzoeken en opmeten. „Het hele gebied is ongeveer 1.600 bij 600 meter groot; twintig keer zo groot als een Romeins fort en meer dan dertig keer zo groot als de grootste Vroeg-Middeleeuwse versterking, de Heimenberg bij Rhenen. Britse archeologen zouden meteen denken aan een hillfort uit de Bronstijd, maar die zijn meestal ook veel kleiner. Alleen een oppidum, een versterking en handelsplaats uit de IJzertijd, die soms zelfs een oppervlakte van 350 hectare heeft, komt wat grootte betreft overeen.”

Probleem is alleen dat Wentink op en om de wallen nauwelijks archeologische vondsten heeft gedaan. „Een schraper uit de Midden-Steentijd in het binnenterrein, en ergens aan de rand van de buitenste wal een paar aardewerkscherven, waarschijnlijk uit de IJzertijd.”

Hij haalde er ook verschillende periodenexperts bij, van de universiteit en van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Allemaal waren ze ervan overtuigd dat het niet om een natuurlijke structuur ging. Maar de prehistoricus zei alleen dat het „niet prehistorisch” kan zijn, de Romeinen-specialist hield het er op dat het „niet Romeins” is, en de Middeleeuwen-expert was ervan overtuigd dat het „zeker niet middeleeuws” is. „Niemand voelde zich daarna verantwoordelijk om uit te zoeken wat het wel was.”

Corrie Bakels, hoogleraar paleo-economie aan de Universiteit Leiden waar Wentink ook werkt, toonde zich bereid enkele pollenmonsters te analyseren. „Dat leverde heide, rogge en boekweit op; een aanwijzing voor een datering van in en na de Late Middeleeuwen, omdat beide granen pas vanaf die tijd werden verbouwd.”

Veel verder kwam Wentink niet en liet de zaak rusten. Totdat eind april van dit jaar Bakels zich weer bij hem meldde. „Ze is 73 en bezig onderzoeken af te sluiten. Dit geval stond nog open.” Reden voor Wentink om nog een poging te wagen. Hij maakte de Facebookpagina ‘Enclosure Het Zand’ aan en vroeg bekenden en onbekenden hem te helpen.

Zo kwam hij in contact met historisch geograaf Luuk Keunen van het archeologisch en cultuurhistorisch bedrijf RAAP. „Volgens hem leek het aardwerk op stuifwallen, opgeworpen om stuifzand op te vangen. Hij raadde aan op zoek te gaan naar de lokale markeboeken, waarin boeren besluiten over het gebruik en het beheer van hun gezamenlijke gronden lieten optekenen.”

Via een lokale groep amateurhistorici kreeg Wentink de beschikking over transcripties van de markeboeken van Zelhem. „Al vanaf de zestiende eeuw zeggen ze dat ze last hebben van stuifzand. Pas begin zeventiende eeuw gaan ze er ook echt iets aan doen.” Op 9 mei 1703 noteren de boeren: ‘Angaende het stuivesant is geresolveert dat de huijsluijden en verdere ingesetenen onder dese markt gehorende, op sekeren dag daer toe te beramen een ijeder sig op die tijt met een schuppe daer te vervoegen om het selve af te graven.’

Later helpt alleen afgraven niet meer en vanaf 1743 tot begin negentiende eeuw gaan ze ‘tot wheringe van dien’ en ‘demping van het zand’ ook heggen en dennen planten. „Door het opvangen van het zand zouden die dan in de loop der tijd overstuifd zijn geraakt,” denkt Wentink.

Is hiermee het raadsel opgelost? „Waarschijnlijk. Alleen bestaan andere historische stuifwallen, zoals die bij Soesterberg en Wenum (in de buurt van Apeldoorn), uit een enkele en lichtgebogen wal. Zelf ben ik echter prehistoricus, dus andere experts moeten er nu maar verder mee gaan.”

Historisch geograaf Luuk Keunen acht dat desgevraagd de moeite waard. „Het gaat inderdaad om een grote opvallende structuur. De haaks staande wallen beschermen tegen zuidwestenwind, de meest voorkomende wind. Het omwalde terrein kan te maken hebben met bescherming van jonge boomplant tegen wild. Een bescheiden onderzoek door een historisch geograaf en een fysisch geograaf in combinatie met een toetsing door een kleine opgraving moet snel duidelijkheid kunnen geven.”

Wentink hoopt dat het vervolgonderzoek er komt. „Nu heeft de plek geen enkele status en is dus op geen enkele manier beschermd, terwijl het om een van de grootste aarden complexen van Nederland gaat.”