Feuilleton in 60 afleveringen 43/60 President Tsaar op Obama Beach A.F.Th. van der Heijden Wat voorafging: Eindelijk kon Natan, na hun identificatie, zijn ouders begraven. Hij liet ze in hetzelfde graf leggen. In Breda hadden studenten van een hogeschool de geur van de Dood ontdekt – niet de stank van een lijk in ontbinding, maar 

Feuilleton in 60 afleveringen

43/60

President Tsaar op Obama Beach

A.F.Th. van der Heijden

Wat voorafging: Eindelijk kon Natan, na hun identificatie, zijn ouders begraven. Hij liet ze in hetzelfde graf leggen.

In Breda hadden studenten van een hogeschool de geur van de Dood ontdekt – niet de stank van een lijk in ontbinding, maar het scala aan odeurs dat een bepaalde stervende in zijn laatste ogenblikken omringd heeft. Er was een langwerpige aluminium kist voor ontworpen, niet om de overledene in op te bergen, maar om plaats te bieden aan een levende die de omstandigheden van andermans dood wilde ervaren, exclusief uitgedrukt in luchtjes. Ik meldde me aan als proefpersoon, en werd op de afgesproken dag door jonge mensen in witte jassen naar het laboratorium gebracht. Naast de kist stond een ziekenhuiskarretje vol stolpflessen met vloeistoffen in verschillende kleuren, via slangetjes met de aluminium mantel verbonden. Op het programma stonden de laatste minuten van JFK. Ik werd op een soort bakplaat naar binnen geschoven.

Het was er stervensdonker, en ik rook niets. Ik wilde al met mijn schoen tegen het luik aan het voeteneind tikken toen ik opeens de vage geur van rottende herfstbladeren gewaarwerd, spoedig aangevuld met die typische lucht van versgemaaid gras. Uitlaatgassen. Het parfum van de First Lady. Lijm en fotopapier van nieuwe schoolboeken. Stank van kruit en verschroeid vlees. De ijzerlucht van vers bloed… alles tot en met de geuren van een operatiekamer.
‘En, meneer Haandrikman, wat zijn uw bevindingen?’

‘Mijn neus ervoer het als heel realistisch. Ik heb gehuiverd.’ Ik had blijkbaar de juiste reuk voor zo’n experiment, en nu werd in geuren het sterfgeval van mijn keuze voorbereid, op mijn aanwijzingen.

Voor de loskomende kerosinelucht maakte het geen verschil, begreep ik, of de Boeing door een ground-to-air dan wel door een air-to-air was geraakt. Op de grote dag werd ik weer naar binnen geschoven. Toen was daar opeens, o God, de onmiskenbare geur van mijn moeder. Haar zeldzame eau-de-toilette, vermengd met organischer lichaamsgeuren, heel licht – een mélange voor mij uit duizenden blindelings te herkennen. Ik werd ook iets van mijn vaders aftershave gewaar, maar heel terloops. Hoe hadden die hogeschoolnerds dit voor elkaar gekregen, terwijl ze haar niet kenden en ik sinds Patricks dood het copyright op haar unieke geur beheerde? Het was niet alleen die van haar laatste ogenblikken, met een adem die rook naar Cabernet, maar ook de lijflucht die ik respectievelijk als peuter, kleuter, puber en adolescent gekoesterd had, in toenemende mate in het geheim en op afstand. Plotseling deze zekerheid: ik wilde helemaal niet met mijn reuk ondergaan hoe mijn moeder verongelukte. Al wat ik wenste, was in die kist nog eens mijn neus ophalen, en dan haar lichaamsgeur diep in mijn brein, hart en onderbuik mee blijven dragen, voor altijd, tot aan het onwelriekende einde van mijn eigen dagen.

Ik verschoof mijn lijf een paar decimeter, en schopte tegen het luik. Het werd niet geopend. De studentes waren natuurlijk, als de heksen uit Macbeth, hun giftige toverdampen aan het mengen. Van het ene moment op het andere was mama’s dierbare lijflucht er niet meer, uitgewist door het wegvallen van de luchtdruk. Door de nagebootste kou en de afzuigwind kon ik haar angst niet eens ruiken. Alleen een zweem kerosine uit de lek geslagen brandstofleidingen.

Hoe roken de opeenvolgende luchtlagen als je er van tienduizend meter hoog recht doorheen viel? Mijn neus maakte er geen kennis mee. Wel met de doordringende brand- en schroeilucht die van de steppenbodem opsteeg. Ten slotte de stank van tonnen kippenstront die zich hadden opgehoopt in een loods nabij de vuurzee… Het deurtje aan het voeteneind ging open. Ik hapte naar adem, liet me naar buiten glijden, en gaf over in een emmer die speciaal voor dat doel was klaargezet. Nouchka, de studente die me had bijgestaan, keek me over de rand van haar mondkapje met glasbruine ogen meelevend aan.

Ondanks een afsluitende douche bleef ik op weg naar het station aan mezelf snuffelen: kerosine en kippenstrontjes. Nouchka, die me begeleidde, garandeerde me dat er niets meer te ruiken viel. Toen de trein Rotterdam naderde, nodigde ze me bij haar thuis uit. Ik dacht dat het een goed idee was om de geuren, ruikbaar of niet, van me af te schrapen door me tegen haar gave lijf aan te schurken: Branda was de laatste tijd te zeer in de ban van Tinus Tinnitus om me tot zich toe te laten. Ik was die middag te dicht in de buurt van mijn moeders dood gekomen, zodat mijn lichaam het grandioos liet afweten.

‘Verontschuldig je maar niet,’ zei Nouchka. ‘Zo’n geurenmix werkt blijkbaar niet als afrodisiacum. Misschien moeten we onze proefpersonen voor zulke bijwerkingen waarschuwen.’

Handtekening A.F.Th. van der Heijden

Het vierenveertigste deel van dit feuilleton verschijnt maandag 15 augustus op nrc.nl/afth.