Vrijwilliger voor een dag

Ze hebben niet veel tijd maar willen toch af en toe „iets” doen. De animo voor een dag erop uit met vluchtelingen in Nederland is groot.

©

Jojanneke (36) staat aan de rand van een Bussums trapveldje, gekleed in een witte broek en een wit poloshirt. „Kom op, Caala! Rennen, rennen!” Caala (uitgesproken als ‘Djalla’) is een Ethiopische jongen van dertien jaar. Hij voetbalt voorzichtig mee met een paar Bussumse tieners die hem net het veld op hebben gewenkt. Op doel staat Abdella, een 9-jarige jongen uit Syrië. Beide jongens verblijven in de asielopvang van Crailo, een kilometer verderop.

Het is zondagmiddag, tijd voor het wekelijkse uitje dat vrijwilligers organiseren voor kinderen van Crailo en hun ouders – wat in de praktijk neerkomt op hun moeders. Bij slecht weer knutselen of sjoelen ze op het terrein van de opvang. En bij goed weer, zoals vandaag, gaan ze naar de kinderboerderij of naar dit trapveldje, grenzend aan een zanderige speeltuin.

Vandaag zijn twee jongens en twee meisjes meegekomen, uit Irak, Afghanistan, Ethiopië en Syrië – 8 tot 13 jaar oud. En één moeder, die van keeper Abdella. Liefst vier vrijwilligers vergezellen hen: naast Straalman nog drie vrouwen.

Jojanneke– frontdeskmedewerker bij audiofabrikant Sonos en oprichter van modebedrijf Jasmins – is een van de vrijwilligers die dit uitje in het leven heeft geroepen. Ze wil in haar vrije tijd iets positiefs doen voor de vluchtelingen, geprikkeld door de anti-stemming onder sommige Nederlanders. Ze heeft zich gestoord aan „al die negativiteit”, zoals die bij inspraakbijeenkomsten afgelopen najaar in Purmerend en Steenbergen. „Ik dacht toen: van schreeuwen is nog nooit iemand beter geworden. Van anderen helpen wel.”

Jojanneke is niet de enige. Het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA) heeft een bestand van 60.000 vrijwilligers. En bij VluchtelingenWerk meldden zich vorig jaar, toen de asielstroom goed op gang kwam, in een paar maanden 11.000 nieuwe vrijwilligers. Daar zitten mensen bij die bijna de hele werkweek inzetbaar zijn. Veel vaker willen mensen naast werk of andere bezigheden gewoon af en toe „iets goeds” doen.

Twee uur op zondagmiddag

Jojanneke meldde zich aan bij het Leger des Heils, dat in oktober de zeggenschap kreeg over de noodopvang in Crailo. Ze kon er meteen aan de slag: ze schepte eten op voor de vluchtelingen en sorteerde gedoneerde kleding. Daarna startte ze met anderen een vrijwilligersgroep voor dit zondagse uitje. Iets leuks doen voor de kinderen, twee uur op de zondagmiddag.

De animo onder vrijwilligers is groot. Twaalf staan er ingeroosterd. „Eigenlijk te veel”, zegt Jojanneke. Om die reden is zij er zelf ook maar om de zondag bij. „Dat vind ik wel jammer. Maar ik gun andere vrijwilligers ook graag de kans om dit mee te maken.”

Helpen, dat is simpelweg haar motief. „Ik vind het belangrijk dat deze mensen zich welkom voelen. Stel, er breekt in Nederland oorlog uit, hoe fijn zou het dan zijn als er ergens anders mensen zijn die je met open armen ontvangen? Daarom doe ik dit.”

Er zijn voor de ander: het is het motief van veel vrijwilligers – niet alleen voor hen die zich inzetten voor vluchtelingen. Vrijwilligerswerk is in Nederland een wijdverspreid fenomeen. „Nederland is Europees kampioen vrijwilligerswerk”, aldus het Centraal Bureau voor de Statistiek afgelopen november . Het CBS meldde dat bijna de helft van de bevolking zich minstens één keer per jaar inzet als vrijwilliger. Dertig procent doet dat zelfs elke maand.

De vluchtelingen die hier het afgelopen jaar zijn terechtgekomen, bieden die Nederlanders bij uitstek de mogelijkheid zich nuttig te maken. Vluchtelingen zijn in allerlei opzichten have nots: ze bezitten niet alleen weinig spullen, maar ook kennen ze de Nederlandse mores niet. De taal, de geografie, de cultuur, de politiek. Vluchtelingen zijn, kortweg, een dankbare doelgroep voor elk hulpvaardig persoon.

Een beetje Engels

Voor Ed Verstraete en zijn vrouw Heleen Jumelet bijvoorbeeld, uit Utrecht. Over vluchtelingen zegt Verstraete: „Die mensen hebben niets. Het is haast je plicht om ze een beetje te helpen.” Via via hoorden zijn vrouw en hij over een project waarbij vluchtelingen worden uitgenodigd bij Nederlanders te komen eten, Come & Eat (een project van stichting Eet mee!) Het doel is elkaar beter te leren kennen en een gezellig avondje te hebben. Ze meldden zich aan.

Het is afwachten wie zich aandient, zegt Verstraete. „Dat kan een gezin zijn, een alleenstaande, of een groepje.” Hij haalde zijn gasten op bij een noodopvanglocatie in Utrecht: een man en een vrouw uit Eritrea, en een man en vrouw uit Nigeria. Alleen de Nigeriaanse sprak een beetje Engels. „Dat was best even behelpen.”

Het idee is dat de gasten koken in het huis van de gastheer. Eerst deden de vluchtelingen samen boodschappen. Ze kochten veel groente, vooral tomaten, vlees, kruiden, met volle tassen gingen ze naar huis. Thuis gingen de gasten kokkerellen. Verstraete: „Natuurlijk moesten ze even wennen. Ik vond ze heel voorkomend. En het begon steeds lekkerder te ruiken.”

Het smaakte ook goed. Eenmaal aan tafel vertelden de gasten dat het voor hen ook prettig was om weer eens zelf te koken. In de noodopvang wordt het eten kant-en-klaar door een cateraar geleverd. De twee Eritreeërs vertelden dat ze in hun land niet met bestek eten maar in plaats daarvan stukjes brood gebruiken.

Een uitgebreid gesprek voeren was lastig. Verstraete vroeg hen daarom of ze hun favoriete muziek van thuis op Spotify of YouTube konden opzoeken. „Dat maakte de avond heel sfeervol. We luisterden naar de verschillende liedjes. Ze waren ook nieuwsgierig naar onze muziek. En ons leven. Ik had echt het idee dat ze zich op hun gemak voelden.”

Verstraete en Jumelet kijken tevreden op de avond terug. Ze zouden het zo weer doen, al is dat er nog niet van gekomen omdat de noodopvang in Utrecht dichtging. Verstraete: „Voor de vluchtelingen is het prettig om een middag en een avond weg te zijn uit hun opvangcentrum. Het is natuurlijk het beste als ze snel integreren. Daarvoor moeten ze veel in contact komen met Nederlanders.”

Iets menselijker maken

Ook de Rotterdamse Elise den Os wilde „iets” doen. Zij werd een jaar geleden bijna onpasselijk van het onophoudelijke nieuws over gekapseisde rubberboten vol vluchtelingen, overvolle kampen en getraumatiseerde asielzoekers. „Wat kan ik doen, in mijn wijk, om het allemaal iets menselijker te maken”, dacht ze.

Vluchtelingen willen zich graag thuis voelen en de taal leren. Zij bedacht een simpel plan waarvoor ze alleen een plek met een tafel en stoelen nodig had. Zij zelf zou zorgen voor koffie, thee en koekjes. Vrijwilligers zouden daar twee uurtjes per week praten met vluchtelingen.

Zo ontstond Café NL. Het werd een groot succes. Inmiddels is Café NL op twee locaties in Rotterdam op twee middagen en een ochtend open. En er komen binnenkort twee nieuwe locaties bij.

De Griekse Nederlander Ioannis Kavvadias (18) meldde zich bij Café NL aan als vrijwilliger. Hij zit aan een lange houten tafel in een Rotterdamse leeszaal met tegenover zich twee mannen: Mazen (35) en Issa (17) uit Syrië.

Mazen en Issa, allebei in het bezit van een verblijfsvergunning, hebben verteld waar in Syrië ze woonden, en waar ze nu wonen in Rotterdam. Mazen in een tweekamerwoning, Issa in een huis met andere minderjarige vluchtelingen. Dan gaat het gesprek over Syrisch eten, over Nederlands eten en over Suske & Wiske. Met Suske & Wiske, legt Ioannis uit, terwijl hij met een album zwaait, kan je heel goed Nederlands leren. Mazen en Issa knikken.

Ioannis gaat na de zomervakantie naar 6 vwo, speelt gitaar en saxofoon. En doet nu even iets goeds. Bijzonder voor een achttienjarige scholier? Ach, hij is geen doorsneetype, dat hoort hij vaker.

Zijn ouders emigreerden toen hij twee jaar oud was van Griekenland naar Nederland, zijn vader kreeg hier een baan. „Mijn hele jeugd zag ik mijn ouders worstelen met de taal, eigenlijk spreken ze het nog niet goed. Ik weet dus hoe belangrijk het is om goed Nederlands te spreken.”

Een tafel verder zit Jan Brouwers, gepensioneerd longarts. Hij is diep in gesprek met een jongen uit Eritrea, een man uit Turkije en een Syriër. „Voor mij is het een compleet nieuwe wereld. Ik heb met allerlei mensen gesproken, Syriërs, Eritreeërs, Afghanen, Iraniërs. Maar ook Turken, Chinezen en zelfs een Pool. Je schuift aan als in een café, maar hier drinken we geen alcohol. Je treft steeds weer andere mensen.”

Jan Brouwers’ drukke leven als longarts stopte abrupt na een hartinfarct. Weer aan het werk gaan zat er niet in. „Dan kun je gaan fotograferen, een boek gaan lezen. Maar ik wilde me eigenlijk ook nuttig maken.” Hij begon met vrijwilligerswerk om iets te doen te hebben. Aanvankelijk een avond in de week, tegenwoordig vaker. „Je hebt het idee dat je iets goeds doet. Die gasten zijn zo gemotiveerd om te leren.”