Vikingen fokten paarden met telgang

De eerste paarden die de telgang beheersten, verschenen tussen 850 en 900 in het Noord-Engelse Vikinggebied Jórvik (York). Deze paarden zijn door de Vikingen overgebracht naar IJsland, waar ze verder zijn gefokt en zich vervolgens hebben verspreid over de rest van de wereld.

Dat leidt een internationale groep genetici af uit een DNA-analyse op historische resten van negentig paarden uit Europa en Azië (Current Biology, 8 augustus). Paardendeskundige Wim Back van de Universiteit Utrecht, zelf niet bij het onderzoek betrokken, noemt het „leuk” onderzoek, maar „niet spijkerhard”.

Naast de drie bekendste paardengangen – stap, draf en galop – zijn er paardenrassen die de telgang beheersen. Daarbij beweegt het dier de twee benen aan de ene kant tegelijk naar voren, en daarna de twee benen aan de andere kant. Voor de ruiter is dit een rustigere, meer comfortabele gang. Aan deze afwijkende motoriek ligt een genetische mutatie ten grondslag, zo lieten Zweedse onderzoekers vier jaar geleden zien (Nature, 30 augustus 2012). Door de mutatie verandert de aanleg van bepaalde zenuwcellen in het ruggemerg, en wordt de aansturing van beenspieren anders gecoördineerd. Dat geeft meer bewegingsvrijheid. Om de telgang te maken, is wel training nodig.

De nu onderzochte historische paardenresten stammen van 4.300 v.Chr. tot 1.300 n.Chr. De ‘telgang-mutatie’ werd alleen in twee Britse paarden uit 850 en 900 teruggevonden, en ook in tien van de dertien IJslandse paarden uit de 9e tot de 11e eeuw. De paardenresten van het Europese vasteland en uit Azië droegen de mutatie niet.

De genetici leiden daaruit af dat de telgangmutatie zich vanuit Jórvik, via IJsland over Eurazië heeft verspreid.

Paardendeskundige Back zet daar vraagtekens bij. „Ze hebben maar een beperkt aantal resten onderzocht.” Dat erkent Arne Ludwig, die het onderzoek coördineerde. Zo zou het bijvoorbeeld kunnen dat er al vroeger een andere mutatie bij paarden is ontstaan die hen de mogelijkheid gaf om de telgang te maken, maar die om de een of andere reden weer uit de populatie is verdwenen. „Hoewel me dat onwaarschijnlijk lijkt”, zegt Ludwig.

De genetici suggereren dat de Vikingen op IJsland de telgangpaarden hebben gefokt omdat een wegennet er ontbrak en de telgang aangenamer was in het ruwe terrein. „Voorstelbaar”, zegt Back, „maar ook speculatief”. Volgens hem is het net zo goed mogelijk dat de Vikingen de telgangpaarden inzetten voor races, zoals tegenwoordig gebeurt.