Rutte remt Dijsselbloem af bij koopkrachtreparatie

Koopkracht

De koopkracht van met name ouderen moet volgend jaar flink omhoog, vindt minister Dijsselbloem. Premier Rutte toont zich terughoudender.

Minister Dijsselbloem arriveert voor de ministerraad. Foto Jerry Lampen / ANP

De boodschap van minister Jeroen Dijsselbloem (Financiën, PvdA) was vrijdag helder. Voor de reparatie van de koopkracht van ouderen en uitkeringsgerechtigden wordt komend jaar „fors meer” geld uitgetrokken dan vorig jaar. En die reparatie mag ook best wat kosten, zo was de boodschap van de minister na afloop van de eerste ministerraad deze zomer. „Het verschil met de ontwikkeling van de hogere inkomens wordt volgend jaar anders erg groot. Dat moet echt kleiner worden. Een pijler van het regeerakkoord is eerlijk delen. Anders gaat het echt heel erg uit elkaar lopen”, aldus Dijsselbloem.

Uit de laatste koopkrachtcijfers van het Centraal Planbureau, deze week gepubliceerd, bleken ouderen bij ongewijzigd beleid 0,7 procent van hun koopkracht in te leveren. Mensen met een uitkering zouden 0,1 procent minder te besteden krijgen. Aan de andere kant zien mensen met hoge inkomens hun koopkracht juist met 1,2 procent stijgen: de meeste Nederlanders gaan er volgens het CPB in 2017 0,7 procent op vooruit. Aan dat scheve beeld wil de PvdA in de aanloop naar de verkiezingen van maart graag iets doen.

Premier Mark Rutte was heel wat minder uitgesproken over de geplande koopkrachtreparatie. „De verslechtering voor ouderen proberen we weg te werken. Als dat lukt, is er altijd een klein plusje.” De voorman van de VVD maande na afloop van de ministerraad tot voorzichtigheid. „We zitten nog steeds in een fase van breekbaar herstel van de economie en daar komen de effecten van de Brexit nog bij. En wij zitten met overheidsfinanciën die op orde moeten blijven.” Hij toonde zich ook niet al te enthousiast over Dijsselbloems uitgesproken streven de ongelijkheid via de koopkrachtreparatie minder groot te maken. „Dat is een bekend streven van zijn partij. Waar het kabinet het over eens is, is dat er een evenwichtige verdeling van inkomens en koopkracht moet zijn.”

De verschillen tussen VVD en PvdA zullen de komende twee weken wel vaker opspelen. Tijdens vier speciale sessies van de ministerraad – de zogeheten begrotingsraden – komt de laatste begroting van het kabinet-Rutte II tot stand. Als basis voor de begrotingsbesprekingen worden de ramingen van het CPB gebruikt, de zogeheten conceptversie van de Macro Economische Verkenning die afgelopen week verscheen. Daaruit bleek dat de gevolgen van de Brexit de economische groeiverwachtingen voor 2017 flink temperden. Waar het CPB in juni nog 2,1 procent groei voorzag voor komend jaar, is dat door de dreigende Britse uittreding uit de EU nu bijgesteld naar 1,6 procent.

Dijsselbloem noemde die bijstelling door het CPB „fors”. „De onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk moeten immers nog beginnen.” Toch zullen de cijfers van het CPB de basis vormen voor de begrotingsbesprekingen. „Het CPB is natuurlijk onafhankelijk en onze enige scheidsrechter, dus daar doen we het mee. Maar het is goed om ons te realiseren dat deze prognoses erg onzeker zijn.”

Ondanks de bijgestelde groeiverwachting blijven de overheidsfinanciën zich verbeteren. Het planbureau voorziet voor 2017 een begrotingstekort van 0,6 procent, terwijl in juni nog van 1,0 procent werd uitgegaan. En dat goede nieuws – vooral het gevolg van hogere belastingopbrengsten door de economische groei – komt woensdag bij de eerste begrotingsraad van pas.

„Maar het wordt nog echt duwen en trekken”, zei Dijsselbloem over de budgetbesprekingen, „om binnen alle Europese afspraken te blijven”. Behalve de gewenste koopkrachtverbetering moeten ook de cadeaus van juni nog worden gefinancierd. Toen werd bekend dat het kabinet 1,2 miljard extra mocht besteden: 600 miljoen voor elke coalitiepartij. De VVD koos voor Defensie en Justitie, de PvdA voor Zorg en Onderwijs.

Over de vraag of deze goede voornemens tot een hoger begrotingstekort gaan leiden, hield Dijsselbloem zich vrijdag duidelijk wel op de vlakte. „Dat hoort u op Prinsjesdag”.