Premier May komt op voor de Engelse grammar schools

Brits onderwijs

De Britse premier wil een verbod op de vorming van nieuwe grammar schools opheffen. Tegenstanders vinden dat de elitaire staatsgymnasia helpen om de Engelse klassenmaatschappij in stand te houden.

De Britse premier Theresa May op Downing Street. Foto Frank Augstein / AP

Geen onderwerp zo controversieel in Engeland als staatsgymnasia. Want de grammar schools staan voor veel meer dan onderwijs. Voor links symboliseren ze het in stand houden van de Engelse klassenmaatschappij, voor rechts juist sociale mobiliteit.

Daarom bepaalde de toenmalige Labour-leider Tony Blair in 1998 dat er geen nieuwe grammar schools bij mochten komen, en is het de Conservatieve premier Theresa May die dat verbod wil opheffen. Ze zou dat bij aanvang van het nieuwe schooljaar willen aankondigen.

May ging zelf naar een staatsgymnasium. Net als oud-premiers John Major en Margaret Thatcher. Net als acht leden van het huidige kabinet, en één op de vijf Lagerhuisleden.

En net als haar invloedrijke kabinetschef Nick Timothy. Vorig jaar, nog als directeur van het New Schools Network, vertelde hij aan vakblad Schoolsweek welke „gedaanteverandering” zijn staatsgymnasium in Birmingham bij hem teweeg had gebracht, welke „buitengewoon briljante leraren” hij had gehad, en hoe hij op zijn zeventiende zag dat Labour „de kans die ik net had gekregen, wilde afsluiten”.

Labour en andere critici vinden dat de staatsgymnasia ongelijkheid bevorderen. De grammar schools (en privéscholen) selecteren aan de poort, op basis van een toets, de ‘11-Plus’, die wordt afgenomen in het laatste jaar van de basisschool . Op gewone middelbare scholen, waar 80 procent van de leerlingen heen gaat, zit iedereen bij elkaar, ongeacht vaardigheden en intelligentie – zoals in Nederland vroeger in de brugklas. Tot de examens (GCSEs) met zestien jaar: dan volgt een college, een vakopleiding of Sixth Form, leidend naar de universiteit.

„De staatsgymnasia bevestigen het idee dat academische kunde beter zou zijn dan praktische vaardigheden. Gewone middelbare scholen zijn meer alomvattend, en richten zich erop het niveau van iedereen te verhogen”, zegt Mark Heaton van Sheffield Hallam University’s Institute of Education.

Hij ging zelf naar een grammar school. Het probleem, vertelt hij, was wat er gebeurde met de leerlingen die achterbleven, de meerderheid van zijn basisschoolklas.

„Hun werd het gevoel gegeven dat ze niet goed genoeg waren. Dat ze louter met hun handen konden werken.”

De 11-plustoets noemt hij decennia later nog altijd „extreem stressvol”, en hij hoort van collega’s in graafschappen waar nog staatsgymnasia zijn, dat dat nog zo wordt gevoeld door leerlingen.

Kostschooljongens aan de macht

„Mijn broer zakte voor zijn 11-plus, en dacht dertig jaar lang dat hij dom was. Hij is nog altijd verbitterd: hij noemt mij de academicus, terwijl hij inmiddels zelf bouwinspecteur is.” Terwijl Heaton zelf naar eigen zeggen een zwakke leerling was, eerder afhaakte en vervolgens via allerlei omwegen een lerarendiploma haalde.

Hij zegt:

„Die nostalgie komt van mensen die de afgelopen jaren met lede ogen toezagen hoe in de regering-Cameron de kostschooljongens het weer voor het zeggen hadden. Het idee dat één school [Eton, red.] de premier, de burgemeester van Londen en de aartsbisschop van Canterbury leverde, was natuurlijk absurd.”

Leerlingen van een privéschool maken 22 keer zoveel kans op een goede universiteit te belanden, en 55 keer zoveel kans op topuniversiteiten Oxford en Cambridge, dan leerlingen die in aanmerking kwamen voor gratis schoollunches (de kwalificatie voor armoede), concludeerde de Sutton Trust, die onderzoek doet naar ongelijkheid. Zeventig procent van de rechters aan hooggerechtshoven, meer dan de helft van de medisch specialisten, journalisten en toplieden van beursgenoteerde bedrijven, ging naar een privéschool. Terwijl maar 7 procent van de bevolking naar zo’n school ging.

Zowel de Conservatieven als Labour vinden dat sociale mobiliteit moet worden bevorderd. De kloof tussen arm en rijk is de afgelopen jaren groter geworden, ongelijkheid is gegroeid. En meer dan in andere OECD-landen bepaalt in Engeland op wélke school iemand heeft gezeten, de rest van zijn toekomst.

Grammar schools zouden dat systeem kunnen doorbreken, zeggen de voorstanders. „Laten we het in elk geval weer proberen”, zegt Dan Porter, voorzitter van Conservative Voice, die de Tory-partijaanhang vertegenwoordigt. Ook hij ging naar een staatsgymnasium, dankzij een beurs. „De cultuur was heel anders dan op mijn oude middelbare school: veel meer mensen waren gretig, ze wilden leren, ze wilden de kans grijpen.”

De cijfers zeggen echter iets anders. Chris Cook, de oud-onderwijsverslaggever van de Financial Times, keek daar de data. Op het hoogtepunt van de staatsgymnasia, in de jaren vijftig, haakte een derde van de working class-leerlingen zonder kwalificaties af, en slechts 0,3 procent haalde de hoogste cijfers bij het examen. Op de 164 staatsgymnasia die er nu zijn, komt minder dan 10 procent van de leerlingen in aanmerking voor de gratis schoollunch.

Dan Porter van Conservative Voice erkent dat er iets moet veranderen.

„Laten we allereerst niet toetsen op elfjarige leeftijd. Niet ieder kind is er dan klaar voor. En laten we beginnen met staatsgymnasia in achterstandswijken, om te voorkomen dat kinderen van rijke ouders van de herintroductie profiteren.”

Dat is wat er nu gebeurt. De zogenoemde ‘scherpe elleboog’-ouders weten hoe ze hun kinderen op de beste middelbare scholen krijgen door dichtbij die scholen te gaan wonen, of trouw naar de kerk te gaan omdat door de Church of Engeland gerunde scholen veelal beter zijn dan openbare scholen. De kwaliteit daarvan is, zo erkende eerder dit jaar de hoogste schoolinspecteur, Michael Wilshaw, „niet goed genoeg”.

Naargeestige klaslokalen

„In plaats van een plek waar leren en wetenschap wordt gekoesterd, zien de inspecteurs te veel luidruchtige gangen, brutale kinderen en naargeestige klaslokalen. (..) Het is geen verrassing dat 45 procent van onze jongeren niet eens voldoendes haalt bij het examen”, waarschuwde Wilshaw.

Het echte debat, zeggen tegenstanders van staatsgymnasia, moet daarom gaan over onderwijs. Tony Little, voormalig schoolhoofd van kostschool Eton, zegt: „Deze discussie is gebaseerd op nostalgie, niet op substantieel bewijs.”

Uit de mond van iemand die Eton leidde, waar ook aan de poort wordt geselecteerd, klinkt dat wellicht paradoxaal. Maar Little, die vorig jaar voor de onderwijsinstelling GEMS ging werken, kon dankzij een beurs zelf naar de kostschool, en was de eerste van zijn familie die na zijn veertiende nog op school zat. En wat weinigen weten: Eton heeft allerlei samenwerkingsprojecten met scholen in arme Londense wijken.

„Op Eton selecteren we op meerdere niveaus: academisch, maar ook of een leerling profijt heeft van het kostschoolmodel, en van een mannelijke, en daarmee competitieve, omgeving. Niet voor ieder kind is dat geschikt.” Bovendien geldt niet alleen de 11-plus, maar zijn er ook andere momenten waarop leerlingen instromen. Grammar schools bieden „één kans op succes of falen”, zegt hij.

Het verbaast hem niet dat privéscholen populair blijven, en dat staatsgymnasia weer in het nieuws zijn. „Te lang werd op gewone middelbare scholen sociale mobiliteit gezien als zoveel mogelijk leerlingen van D-niveau naar C-niveau brengen. Dat was een slechte zaak voor de slimste leerlingen, zij werden genegeerd. Dan begrijp je dat ouders naar een alternatief kijken.” Gelukkig, zegt hij, is „die cultuur aan het veranderen.”

Alleen gaat dit staatsgymnasia-debat weer over „kleine details”: „Al veertig jaar spreken we eindeloos over structuur. Niet over wat we met onze kinderen doen.” Het antwoord, zegt hij:

„Dat we eens serieus focussen op de kwaliteit van de leraren. Verbeter het onderwijs, dan komt het met sociale mobiliteit vanzelf goed.”