Nutteloos, onderwijs voor de allerkleinsten

Opinie Aandacht voor taal en rekenen is bij peuters en kleuters verloren moeite, meent Eugénie de Bresser.

Verstoor vooral hun vrije spel niet met allerlei toetsen. En licht ouders daarover beter voor.

©

Als directeur/eigenaar van een kinderopvangorganisatie ervaar ik een toenemende druk om de opvang van mijn peuters en kleuters in te richten als onderwijs. In de educatieve programma’s die wij hanteren als basis voor ons dagelijks pedagogisch handelen sluipen steeds meer ‘onderwijsachtige’ elementen. Die leggen vooral een sterkere nadruk op cognitieve leerdoelen zoals rekenen en taal, met vaste termijnen waarin die leerdoelen behaald moeten zijn en een bijbehorende periodieke toetsing.

Naar mijn mening zijn de risico’s hier groter dan veel politici en bestuurders denken en dan veel ouders zich realiseren. Ik wil dat laten zien vanuit de voortschrijdende inzichten uit de ontwikkelingspsychologie en de neurowetenschap.

Educatie van peuters en kleuters is een complex vraagstuk. Vooral omdat wij nog niet goed in staat zijn om precies aan te geven hoe het brein zich ontwikkelt en hoe (kleine) kinderen leren. De keuzes die wij als opvoeders hierbij maken zijn echter niet vrijblijvend. Met een verkeerde aanpak bereiken we namelijk niet alleen ‘geen effect’, maar kunnen we het leren ook verstoren en daarmee dus een negatief effect bereiken.

De grootste risico’s van ‘kinderopvang als onderwijs’ zitten naar mijn mening in twee aspecten: het accent op de cognitieve vaardigheden zoals rekenen en taal en de toenemende vraag om de toetsing daarvan.

Onderwijsprogramma’s zijn per definitie gericht op cognitieve vaardigheden als taal en rekenen. Het kinderbrein moet hier echter wel aan toe zijn. Volgens neurowetenschappers is dit bij peuters en kleuters nog niet het geval. Verloren moeite dus….

Maar waar is het peuter- of kleuterbrein dan wel aan toe? Daarover ontstaat vanuit de wetenschap steeds meer duidelijkheid. Op die leeftijd is het kind namelijk vooral ontvankelijk voor het leren van zogenoemde executieve vaardigheden. Dat zijn vaardigheden zoals concentreren, vasthouden van aandacht, plannen en het weerstaan van verleidingen. In de dagelijkse praktijk worden ze vaak samengevat als ‘zelfsturing’.

De mate waarin een kind in staat is tot zelfsturing, blijkt essentieel voor schoolprestaties. Maar dan wel op latere leeftijd! Het is zelfs belangrijker dan IQ en/of sociale klasse.

Logisch toch? Als een kind beter in staat is om zich te richten op zijn huiswerk, in plaats van toe te geven aan de verleidingen van Subway Surf of Pokémon Go, zal er meer én beter worden geleerd.

Enkel aandacht voor cognitieve vaardigheden is niet alleen zinloos omdat een peuter of kleuter er weinig van opsteekt, het gaat ook ten koste van de tijd die kan worden besteed aan de training van executieve vaardigheden. En daarmee spannen we dus het paard achter de wagen.

Het tweede risico zit in de toetsing van de resultaten. Betrokken instanties, maar ook ouders willen direct weten wat het kind heeft opgestoken en ‘hoe slim het al is’. Dat kun je wellicht met taal en rekenen vrij snel meten, maar bij sociaal-emotionele ontwikkeling en vooral bij executieve vaardigheden werkt dat niet. We zien pas goed in groep 3 of een kind zich goed op zijn leertaak in de klas kan concentreren. En pas veel later of hij in staat is verantwoord te kiezen tussen huiswerk of chatten.

Bij ‘gebrek aan beter’ wordt er echter geprobeerd om toch bepaalde cognitieve vaardigheden als resultaten te benoemen en te toetsen, zoals de woordenschat of het aantal cijfers dat wordt herkend. Dat heeft tot gevolg dat de educatieve programma’s ook hierop worden ingericht. En – zoals hiervoor uiteengezet – dat is nou precies wat we niet moeten willen.

Maar er is nog een negatief effect van de nadruk op de toetsing, namelijk dat daarmee het vrije spel van de peuter en kleuter wordt verstoord. Ook hier is sprake van voortschrijdend inzicht vanuit de wetenschap. Voorwaarde voor leren bij peuters en kleuters is namelijk dat het ‘spelgestuurd’ moet zijn: met een positieve emotie, met eigen aan-passingsmogelijkheden en vooral met plezier. Dat moet je niet verstoren met toetsen of een druk op resultaten.

Als directeur ben ik eindverantwoordelijk voor de uitvoering van educatieve programma’s. Ik ervaar dat ik daarbij in een verkeerde richting wordt geduwd. Ik denk dat het tijd is om stelling te nemen tegen de sluipende invoering van onderwijs binnen de kinderopvang.

We moeten ouders beter voorlichten. Maar we moeten ook de beleidsmakers en de lokale uitvoerende en controlerende instanties duidelijk maken dat het kind voorop moet staan en niet de behoefte aan gekwantificeerde verantwoording. Wat mij betreft mogen we ook meer vertrouwen op onze deskundigen op de werkvloer, te weten onze pedagogisch medewerkers.

We moeten er met zijn allen voor zorgen dat het kind positief nieuwsgierig blijft en dat wij onze peuters en kleuters vooral steunen en uitdagen bij het ontwikkelen van hun zelfsturend vermogen en executieve vaardigheden. Kortom: we moeten het eens serieus hebben over de inhoud van onze educatieve programma’s. Maar wel vanuit het belang van het kind.