Lang leve de verveling

Nietsdoen

Niemand zegt zich nog te vervelen. Dankzij de smartphone komt verveling niet meer voor. Of wel?

Dolce far niente. Heerlijk nietsdoen. Voor het geestesoog verschijnen beelden van hangmatten of zilverige zee, de verbeelding produceert kruidige geuren, opkijken uit een boek en mijmerend in de wazige verte blijven staren, stilte, vogelgezang – ‘rust, o wonder-vreemd genucht’. Je hoort het mensen ook vaak zeggen als ze met vakantie gaan: „We hoeven even helemaal niets.”

En soms zie je mensen ook echt niets doen: ze liggen de hele dag op een ligbed aan het strand, rondom bruinend als worstjes in de koekenpan, of ze komen voorbijvaren in een motorbootje waar ze op het dek zitten achter een zonnebril.

Zouden ze zich niet vervelen?

Verveling komt volgens sommige mensen helemaal niet meer voor vandaag de dag. Onze smartphones zorgen voor een constante stroom van berichtjes, nieuwsfeitjes, filmpjes, spelletjes – nee, vervelen is er niet bij. Er zijn mensen die speciaal naar hotels of campings gaan waar ze géén wifi hebben. ‘De nieuwe luxe.’ Eindelijk zijn ze even bevrijd van hun smartphone. Eindelijk dolce far niente.

Verveling is nogal gênant. Want wie vervelen zich? Mensen die niets te doen hebben en mensen die niets te denken hebben. Geen van beide categorieën staat erg hoog aangeschreven. Kinderen mogen zich vervelen: „Ik zit hier binnen voor het raam/ mij zo oneindig te vervelen/ ik wou dat ik twee hondjes was/ dan kon ik samen spelen”, schreef Godfried Bomans.

Grote mensen willen ook samen spelen, er is een hele industrie om ons te laten spelen. De vrijetijdsbesteding is geprofessionaliseerd tot en met, van Disneyland tot Pokémon Go, van stedentrips tot sportzomers. Sportjournalist Guus van Holland schreef het vorige week nog in deze krant: „Dafne Schippers, Tom Dumoulin, Epke Zonderland, de hockeyers, de zwemmers, de handballers, zeilers, surfers, judoka’s, wielrenners, boksers en andere deelnemers gaan de leegte in onszelf vullen. Ze gaan de hunkering voeden naar blijdschap, identificatie en afleiding van dagelijkse sleur en problemen.”

‘Afleiding’, schrijft hij, ‘leegte in onszelf’. Dat zijn termen die duiden op diepere verveling. Woorden die doen denken aan ‘tijdverdrijf’, een eigenlijk angstaanjagend woord, dat schijnt te impliceren dat we de tijd voorbij moeten zien te krijgen, dat de tijd – en wat is de tijd anders dan ons leven? – vervelend is. Dat hoor je niet meer zo vaak, we horen immers allemaal geheel en al vervuld en bezig te zijn.

Louis Couperus, product van een tijd waarin het ‘ennui’ en het ‘spleen’ en andere melancholische aandoeningen nog heel gewoon waren, was er nog heel onomwonden over: „O, de verveling, de immense verveling! Kent ge iets dan dit leven vervelender?” (Stiekem denk je dan dat hij zich heus niet verveelde toen hij dat opschreef, dat hij plezier had in niet schrijven: ‘iets vervelender dan dit leven’ maar het zo deftiglijk om te draaien, als schreef hij eigenlijk Latijn.)

Het is wel bijna dapper nu om te bekennen dat je je verveelt. Echt leven is immers geen tijdverdrijf, dat hebben we altijd geleerd. Behalve natuurlijk als er tijd van ons afgenomen wordt, in wachtkamers en bij saai bezoek, door ziekte of files. Niemand die je spreekt zegt zich ooit te vervelen. Welnee, daar hebben ze het veel te druk voor.

Een eeuw geleden dachten economen dat we ooit, als we de wereld anders ingericht zouden hebben, veel minder zouden gaan werken. Marx dacht dat vier uur werken per dag genoeg zou zijn voor onze behoeften, die zich in zijn maatschappijverbeelding dan ook niet uitstrekten tot shoppen, nieuwe badkamers of een fles Mouton Rotschildt. En ook John Keynes dacht in 1928 dat we, gezien de economische groei, binnen honderd jaar ‘het economische probleem’ zouden hebben opgelost en dat we met drie uur werken per dag zouden kunnen volstaan. „We zullen hen eren die ons kunnen leren om het uur en de dag te plukken.”

Keynes geloofde in de mogelijkheid van gelukzaligheid, en hij wist heel goed dat die niet bereikt zou worden door meer goederen.

We zijn wel wat minder gaan werken, maar lang niet zoals Keynes zich dat voorstelde. Werken geeft aanzien, het levert geld op, waarvan we om een of andere reden nooit genoeg hebben. En werken is ook: je niet vervelen. Vervelen mag niet, niets-doen is zelfs al verdacht, tenzij je het als opladen en noodzakelijke rust verpakt. Wie niet werkt, moet zich anderszins verrijken, zowel naar lichaam als naar geest. Zie bijvoorbeeld de ‘zomercursus in rust’ in deze krant van managementtrainer Ben Tiggelaar: de vrije tijd moet je gebruiken om je weer op te laden, door dingen te lezen, te doen, te denken, door aan je relatie te werken, door het brein rust te geven – het brein van de cursist lijkt weinig rust te krijgen.

Couperus schreef ooit een ‘Lof der luiheid’, maar die lof mislukte nogal. Want wat hij bemerkte, was dat hij er helemaal niet goed in was, in luiheid, in nietsdoen. Niet omdat hij bezield was van een of ander arbeidsethos, maar omdat een diepere rusteloosheid het hem onmogelijk maakte werkelijk niets te doen. Jaloers kijkt hij naar zijn Italiaanse vriend Orlando Orlandini, die wel genietend lui kan zijn. „Verveel je je nooit?” vraagt hij hem en hij vervolgt, na het ontkennende antwoord: „Ik, Orlando, verveel me altijd. Ik ben altijd vol ideeën, vol plannen, ik schrijf boeken en ik verveel me altijd. Ik reis, ik zie allerlei mooie dingen van kunst, waar ik dol op ben, en ik verveel mij altijd. Altijd. Ik verlang altijd vage dingen. Verlang jij nooit vage dingen?”

Nee, Orlando is een gezond mens, die er werkelijk genoeg aan heeft om gewoon maar te bestaan. Hij lijkt het ideaal van mindfullness en van het moderne verlangen om ‘in het moment’ te zijn. Hij heeft geen materiële zorgen, hij hoeft niet te bungeejumpen om een beetje reuring in zijn leven te brengen. Hij heeft het goed.

Veel geestelijk leven heeft hij trouwens ook niet. Dat heeft er wellicht ook iets mee te maken. De zich immer vervelende Couperus heeft een levendige verbeelding. En nogmaals: als hij schreef, verveelde hij zich heus niet. Het is het niet-schrijven dat vervelend is, ergens tegenaan hangen, weten dat er iets is dat je zou kunnen vervullen, maar je er niet toe kunnen zetten. Sommige kunstenaars zeggen zelfs dat uit die verveling het scheppen voortkomt, dat je je moet vervelen om tot iets te komen.

Wie steeds iets anders behoeft, is nooit waar hij wil zijn. De smartphone, het zappen, ze zijn vormen van een als het ware verborgen verveling. Het gaat dan niet om de leegte die tot iets leidt, maar om durende honger, bij gebrek aan iets dat helemaal vervult en aandacht vraagt. Want dat is het enige dat de verveling opheft.

Schopenhauer schreef het al: voor het geluk van de mens is het nu eenmaal noodzakelijk dat hij iets doet. „De stilstand, die in het rustige genieten geheel toereikend zou zijn, is onmogelijk voor hem.” Ook al heb je alles, dat wat je hebt, verveelt makkelijk, zegt hij. Dat wat iemand innerlijk bezighoudt, dat wat hij is, dat is wat het leven de moeite waard maakt. Eventueel inclusief creatieve verveling.