Je huid was of te blank, of te bruin

Indonesië

De familiegeschiedenis van Wolter Gerungan weerspiegelt het Indonesische onafhankelijkheidsconflict, waarin bevolkingsgroepen tegenover elkaar kwamen te staan. „Wat we hier kennen als de ‘politionele acties’ wordt erg zwart-wit voorgesteld.”

Familiealbum van Wolter Gerungan. Zijn vader Willem, die tijdens zijn studie in Jakarta nationalist werd, staat rechts op de middelste foto (met moeder en zussen) en op de foto rechts. ©

Wolter Gerungan bladert door stapels vergeelde brieven en oude fotoalbums aan zijn werktafel met uitzicht op de Amsterdamse grachten, waar hij met zijn vriend Peter een bed and breakfast runt. „Kijk, dit zijn mijn ouders tijdens hun huwelijk in Den Haag”, zegt hij wijzend naar een zwart-witfoto. De datum van de feestelijke dag is 17 augustus 1959, de veertiende verjaardag van de dag waarop de nationalist Soekarno de onafhankelijkheid van Indonesië uitriep. „Dat was voor mijn vader wat 5 mei is voor jullie, de bevrijding.” Maar veel te vieren was er in 1945 niet: een vijf jaar durende bloedige oorlog met Nederland volgde.

Gerungans familie is afkomstig uit Manado (voorheen: Menado), Indonesië. De Menadonese bevolkingsgroep stond, net als de Molukkers, bekend als loyaal aan het koloniale bewind. Veel Menadonezen namen dienst in het koloniale leger KNIL, en het gebied waar zij woonden – de Minahassa – werd zelfs de ‘twaalfde provincie van Nederland’ genoemd.

Maar Gerungans vader, die Willem heette, streed als jonge nationalist juist voor de vrijheid van zijn land. „Wat we hier kennen als de ‘politionele acties’ wordt erg zwart-wit voorgesteld”, aldus Gerungan. „Er waren vele grijstinten.”

Het familieverhaal van Gerungan laat veel kanten zien van het onafhankelijkheidsconflict in Indonesië, dat sterk op een burgeroorlog leek en waarbij de verdeeldheid dwars door families heen liep. Ook door de familie Gerungan. En toen Nederland in 1949 de soevereiniteit aan Indonesië overdroeg, waren de conflicten en het geweld niet zomaar verdwenen.

Op een foto van Kerstmis 1941 poseert de familie Gerungan, geheel westers gekleed, in een Hollands ogende woonkamer. „Dat was in Samarinda, op Borneo, waar mijn opa arts was als reserveofficier bij het KNIL.” Niet lang daarna volgde de Japanse bezetting van Nederlands-Indië. In 1944 werd Gerungans grootvader door de Japanners vermoord. Gerungan laat de overlijdensakte zien van de Nederlandse auditeur-militair uit 1947: „Reden van zijn arrestatie en executie: Dr. Gerungan werd verdacht van anti-Japanse en pro-geallieerde gezindheid”.

Indonesisch nationalisme

Zijn grootmoeder had zich na de verdwijning van haar man samen met haar hulp en andere Menadonezen, die als groep door hun Hollandse gezindheid ‘verdacht’ waren, teruggetrokken op een berghelling waar ze probeerden te overleven door groenten en rijst te verbouwen.

Gerungans vader was inmiddels naar Jakarta vertrokken, waar hij aan een medicijnenstudie begon. Daar kwam hij onder invloed te staan van het Indonesisch nationalisme. „Al stonden de Menadonezen aan de Nederlandse kant, velen wilden zelfbeschikking.”

Emilia Ratulangi, ‘tante Zus’, een nu 95-jarige verre oudtante van Gerungan, studeerde met zijn vader. Zij was de dochter van Sam Ratulangi, een bekende intellectuele nationalist van Menadonese afkomst. Ze vertelde Gerungan: „De studenten waarschuwden hun ouders: als jullie aan de kant van de Nederlanders gaan staan, dan treffen jullie ons aan de andere kant!” De studenten wilden na de oorlog geen terugkeer naar de koloniale tijd, maar vrijheid.

Op 15 augustus capituleerde Japan en twee dagen later, op 17 augustus riepen Soekarno en Hatta de onafhankelijkheid uit. Het geweld dat vervolgens losbarstte kwam niet alleen van de studenten maar ook van criminele jeugdbendes. Daaronder waren ook Menadonese gangsters die de ophanden zijnde revolutie trouw hadden gezworen. Duizenden en waarschijnlijk tienduizenden mannen, vrouwen en kinderen werden op afschuwelijke wijze omgebracht. Deze periode, de Bersiap, staat bekend als een aanval op de Nederlanders. „Maar het was veel complexer dan dat”, zegt Wolter Gerungan. „Ook de Molukkers, Chinezen en de Menadonezen werden aangevallen.”

Tante Zus werd opgepakt, naar eigen zeggen op verdenking van samenwerking met de Nederlandse legercommandant, generaal Simon Spoor.

Revolutionairen

Tom van den Berge, historicus aan het KITLV in Leiden, onderschrijft wat Gerungan zegt. „Het leek meteen op een burgeroorlog. Eerst werden de Nederlanders, de Indo-Europeanen, de Molukkers en de Menadonezen vermoord, en daarna met dezelfde intensiteit de Chinezen.”

Maar het negatieve beeld dat in Nederland bestaat van de jonge Indonesische moordlustige revolutionairen, de pemuda, is eenzijdig, aldus Gerungan. „Mijn vader was ook een pemuda, maar niet eentje die zomaar mensen vermoordde. Hij wilde zijn idealen verwezenlijken.” Hij ging naar Bali om de revolutie te verkondigen. Daar belandde hij bij het Indonesische verzet. Hij werd al snel opgepakt door het Nederlandse leger en geïnterneerd. Door toedoen van een vooraanstaand Balinees echtpaar kwam hij vrij. Hij zat nog een jaar bij hen ondergedoken.

In de hele archipel trad het Nederlandse leger genadeloos op tegen vermeende pemuda, en spaarde vaak ook de lokale bevolking niet. Veel van de Nederlandse militairen waren inheems en kwamen dus tegenover landgenoten, misschien wel familie, te staan.

Tot op de dag van vandaag geldt het standpunt van de Nederlandse regering uit 1969 dat het buitensporige geweld van Nederlandse militairen in Indonesië ‘incidenteel’ voorkwam, hoewel onderzoek uitwijst dat het om structureel geweld ging: wijdverspreid en in de militaire structuur verankerd.

Gerungans vader, die in 1952 in Amsterdam psychologie was gaan studeren, was inmiddels getrouwd met de van Curaçao afkomstige Stella. Het jonge stel verhuisde in 1960 naar Bandung, in Indonesië, waar hij een onderzoeksbeurs kreeg. „Hij was hoopvol over een mooie toekomst voor zijn gezin in Indonesië, het land waar hij voor had gestreden.” Maar dat liep anders. „Er was meteen een sfeer van verdenking. Aan welke kant van de strijd had jij gestaan? En waar bevond je je nu? Je huid was ofwel te blank, ofwel te bruin, je bevolkingsgroep had ofwel het een, ofwel het ander fout gedaan in de onafhankelijkheidsstrijd of de koloniale periode ervoor.”

Afscheidingsbeweging

De eenheid die Soekarno had willen brengen, bleek ook geografisch tot moeilijkheden te leiden. Indonesië was door het Nederlandse gezag opgedeeld in verschillende deelstaten, verenigd in de ‘Verenigde Staten van Indonesië’.

Menado behoorde , net als de Molukken en Bali, tot de deelstaat Oost-Indonesië. Soekarno wilde daar snel vanaf: Indonesië moest een eenheid zijn. In verschillende van die voormalige deelstaten ontstond onrust en geweld, en werden afscheidings- of emancipatiebewegingen opgericht. In Menado werd de organisatie Permesta in het leven geroepen, die streed tegen Javaanse overheersing. „De broer van mijn vader, oom Jan-Willem sloot zich daarbij aan”, aldus Gerungan.

De economische toestand verslechterde in rap tempo en al was zijn vader gepromoveerd psycholoog, er was vrijwel geen werk. Gerungans moeder vertrok daarom met hun dochter Tarina naar Curaçao en zijn vader probeerde een beurs te krijgen voor Europa. Hun brieven uit de periode 1963-1964 laten een beeld zien van een instabiele samenleving. Zijn vader schreef vrijwel alleen maar over het gebrek aan geld en de stijging van de prijzen voor levensmiddelen. „Geld is schaars te krijgen”, schrijft hij op 28 juli 1963. „Ik heb net een enorm stuk spek uit Bali gekregen.”

Willem (links) met zijn moeder, zussen, broer Jan-Willem, en vader.

Op 17 augustus 1963 vierde hij de achttiende verjaardag van de republiek. „’s Ochtends heb ik naar de Bung [Soekarno] geluisterd en [...] daarna het boek van Albert Camus De Pest doorgelezen en daardoor uitgerust van de alledaagse problemen.” Ondanks die problemen geloofde Gerungans vader nog steeds in de eenheid van Indonesië onder Soekarno: „Een ander dan Soekarno zou op het moment de zaak niet zo bij elkaar kunnen houden, maar eenvoudig een versplintering en het uit elkaar vallen van heel Indonesië bewerkstelligd hebben.” Op dat moment vocht zijn broer Jan-Willem nog steeds tegen diezelfde Indonesische staat.

Staatsgreep

Het rampjaar 1965 brak aan toen het gezin Gerungan net was herenigd in Bandung. Op 30 september vond een staatsgreep tegen Soekarno plaats in Jakarta, waarbij het leger onder generaal Soeharto de macht greep. Net voor die coup werd oom Jan-Willem als rebellenleider door de regering gevangengenomen en geëxecuteerd. Toen brak er iets bij Gerungans vader. „Hij heeft dat nooit kunnen verkroppen. Zijn vader was door de Japanners gedood, en nu werd zijn broer vermoord door de leiders van de staat waarvoor hij zelf had gevochten.”

Veel tijd voor de verwerking was er niet: over Indonesië spoelde een golf van geweld. Het nieuwe regime vermoordde naar uiteenlopende schattingen tussen de half en één miljoen vermeende communisten.

Vlak na de coup werd Wolter geboren. Zijn zus Tarina, die toen vijf jaar oud was, kan zich de angst van die periode nog levendig herinneren. „Ik zag de legertrucks af en aan rijden, iedere dag. Mannen in groene pakken, ik had daar nachtmerries van.” Maar er werd niet over gepraat. na de dood van zijn broer vluchtte Gerungans vader naar Nederland. In 1968 werd het gezin herenigd in Amsterdam.

Wolter Gerungan staat niet uitgebreid stil bij de Indië-herdenking, op 15 augustus in Den Haag, noch bij de viering van 17 augustus in Indonesië. De herdenkingen suggereren wat Gerungan betreft een scheidslijn in de geschiedenis die er niet is. „Het ene geweld liep over in het andere, ook na 1949.” Er waren verschillende perspectieven. „Ons verhaal is ook Nederlandse geschiedenis.”