Dit is de belangrijkste tegenstander van Schippers

Shelly-Ann Fraser-Pryce

Van Waterhouse in Kingston tot tweevoudig olympisch sprintkampioen. Fraser-Pryce, de ‘Pocket Rocket’, blijft hongerig. Over de opmars van Dafne Schippers verbaast ze zich niet. „Die komt niet uit het niets, hè.”

Shelly-Ann Fraser-Price op weg naar winst op de 100 meter eind juli bij de Daimond League in Londen. FotoBen Stansall/AFP

De koningin van de sprint heeft in Kingston haar eigen troon. Shelly-Ann Fraser-Pryce trotseert op een prille ochtend in Jamaica de zon op haar vaste plekje langs de atletiekbaan. Een matje, een parasol, daar verpoost zich de meervoudige sprintkampioene tussen de dagelijkse trainingssetjes door. Wie haar spreken wil mag plaatsnemen op het matje; groot genoeg voor twee personen.

De meervoudige sprintkampioene is goed gemutst, ondanks de irritante blessure aan haar grote linkerteen. Fraser-Pryce werkt een aangepast programma af, en dat bevalt haar matig. Het strookt niet met haar geloof die teen te vervloeken, maar verwensingen borrelen ongetwijfeld op. Haar voorbereiding op de Olympische Spelen wordt er danig door verstoord.

Uiteindelijk arriveert de tweevoudige olympische kampioene met een genezen teen in Rio de Janeiro, waar ze tijdens de openingsceremonie de Jamaicaanse vlag binnendroeg. Maar of ze fit genoeg is om haar derde opeenvolgende gouden medaille op de 100 meter te winnen wordt betwijfeld. Niet door haarzelf. Zij trekt een gordijn van schimmigheid op. De sprintster, één van Dafne Schippers’ grote concurrenten, wil niet laten blijken hoeveel schade de teen heeft veroorzaakt.

Terug naar haar matje, haar praatstoel in Kingston. Eerst een testje sprinthistorie. Of ze Fanny Blankers-Koen kent? Fraser-Pryce probeert de naam van haar olympische voorgangster uit te spreken, wat maar moeizaam lukt. Ze brabbelt wat onverstaanbaars en geeft een tikje beschaamd toe nooit van de viervoudige olympische kampioene gehoord te hebben. „Nou, dan heeft Dafne Schippers een voorbeeld uit eigen land”, stelt ze nuchter vast.

En je ziet het, de sprint is niet het unieke domein van donkere atletes, verwijst Fraser-Pryce naar de vraag hoe verbaasd ze is over de opkomst van een blonde, Hollandse rivale. „Niet in het minst”, zeg ze. „,Ik denk niet in termen van zwart en wit. De atletiekbaan is toegankelijk voor iedereen met aanleg, maar vooral met engagement. Wie een goede coach heeft en bereid is hard te werken, kan de beste worden. Dafne is getalenteerd en bereid veel arbeid te verrichten, anders kies je niet eerst voor de meerkamp. We hebben het niet over een atlete die uit het niets komt, hè.”

Op de baan komen Fraser-Pryce en Schippers samen, maar hun achtergrond verschilt nogal. Waar de Nederlandse is grootgebracht in een warm gezin in een nette Utrechtse wijk, en zich heeft bekwaamd bij een atletiekclub met goede faciliteiten, is haar Jamaicaanse opponent kind van een getto. Waterhouse, om precies te zijn, een wijk in Kingston waar gangs regeren en de dood doorlopend op de loer ligt. En de banen waar zij het sprintvak leerde bestaan voornamelijk uit gras.

Dochter van tienermoeder

Fraser-Pryce is een dochter van een tienermoeder, die met straatverkoop in leven moest zien te blijven. Ze kent haar vader wel en heeft ook contact met hem, maar echt dierbare herinneringen heeft ze niet. „Omdat hij er nooit was. Ik zag hem zo nu en dan, waarna hij doorgaans snel vertrok. Door mijn moeder te verlaten, heeft hij een beslissing genomen die ik niet kan begrijpen. Ik leefde met mijn moeder. Ik heb me als kind ook nooit afgevraagd wie mijn vader is. Nu hebben we een goede relatie. Het is oké.”

Aan haar moeder dankt Fraser-Pryce dat ze aan de gevaren van Waterhouse is ontsnapt. Met gepaste trots: „Zij heeft me altijd gestimuleerd te studeren. Ik ben haar daar eeuwig dankbaar voor. Ze zei ook altijd dat ik me niets van die bendes in Waterhouse moest aantrekken en jongens die me wilden inlijven, moest negeren. Dat heeft me gered.”

Nu Fraser-Pryce een gevierde sportvrouw is, wil ze iets terugdoen voor de arme sloebers van Jamaica. Met haar Rocket Pocket Foundation financiert zij kinderen om een opleiding met sport te combineren. Kinderen of hun ouders kunnen zich aanmelden. De enige eisen zijn dat ze het goed doen op school en goed zijn in sport. Niet buitengewoon goed, maar wel bereid zijn in zichzelf te investeren.

„Wij betalen het schoolgeld, het uniform, de boeken, de lunch en eventueel het diner”, vertelt de atlete. „Ik kan me voorstellen dat kinderen die in armoede leven een voorkeur hebben voor sport. Daarom bieden we sport in combinatie met een studie aan. Als je niet verder kunt in de sport, wat dan? Je moet opties hebben.”

Via de befaamde schoolkampioenschappen op Jamaica is Fraser-Pryce uitgegroeid tot de beste sprintster van haar land én de wereld. Een positie die ze heeft moeten bevechten, want in de slechts 1.60 meter lange Shelly-Ann werd nooit een wereldster gezien Ja, ze won in 2008, het jaar van haar doorbraak, de olympische trials op de 100 meter. Maar veel vertrouwen in een goede afloop op de Spelen in Beijing hadden weinigen. Er ontstond zelfs een nationale discussie of Fraser-Pryce haar plaats niet moest afstaan aan Veronica Campbell-Brown, destijds de ster in Jamaica. Het rumoer verstomde toen het kleine kruitvaatje olympisch kampioen werd.

Haar kenmerk is de snelle start. Vandaar de bijnaam Pocket Rocket. Daarmee maakte ze vorig jaar op de WK in Beijing op de 100 meter net het verschil met Dafne Schippers, die het vooral van de laatste 40 meter moet hebben. „Die start heb ik van nature”, zegt Fraser-Pryce. „Op de highschool was ik al een snelle starter. Maar ik heb er ook veel aan geschaafd. Talent is één, maar de vraag is vooral: wat doe je ermee? Ik heb er samen met mijn trainer Stephen Francis altijd hard aan gewerkt om de start perfectioneren. Dat wilde ik. Zo heb ik me ook leren focussen op de laatste 40 meter. Ik vind dat je altijd hard moet werken aan je mindere punten, maar nooit moet negeren waar je goed in bent. Het gaat altijd om de balans.”

Sinds haar spectaculaire olympische entree mag Fraser-Pryce zich tweevoudig olympisch en drievoudig wereldkampioene op de 100 meter noemen. En tussendoor won ze ook nog een keer de wereldtitel op de 200 meter, niet echt haar favoriete afstand. „Ik ben aan de 200 meter begonnen, omdat ik goed ben op de 100 meter. Ik heb er de snelheid voor, maar niet het uithoudingsvermogen. Maar ik vind het een uitdagend nummer, en soms moet je jezelf testen.”

Acht jaar en een rijk gevulde prijzenkast verder is Fraser-Pryce nog hongerig, zegt ze. „Ik ga door zolang ik kan uitblinken. Ik wil nog graag de 100 meter in 10,60 seconden lopen. Maar bovenal wil ik de eerste sprintster worden die driemaal achtereen olympisch goud wint op de 100 meter.”

Nog geen pijntjes

De sleet zit er nog niet op, bezweert Fraser-Pryce lachend op haar matje. „Ik kan de belasting nog steeds aan. Buiten blessures voel ik geen pijntjes en kan ik na elke training normaal lopen. Ik ben niet moe, in die zin dat ik het einde van mijn carrière zie naderen. Ja, Bolt is ook 29 jaar en heeft zijn afscheid na de Spelen aangekondigd. Maar hij heeft met de 100 en 200 meter een zwaarder programma dan ik. Als ik niet meer buitengewoon presteer is het makkelijk te zeggen: het is mooi geweest. Maar ik ben nog niet met mijn afscheid bezig. I’m still able to go.”

En mentaal, hoe zit dat bij Fraser-Pryce. Eerlijk: „Ja, dat wordt steeds zwaarder. Soms is het vele trainen frustrerend. Ik doe dit al zó lang. Soms denk ik: al wéér die oefeningen? Maar diep van binnen is er nog steeds die vastberadenheid om door te gaan. Op mentaal zwakke momenten denk ik: kom op Shelly-Ann, je werkt ergens voor. Elke stap die ik maak, elke training die ik afwerk, elke competitie waaraan ik deelneem is een stap voorwaarts naar dat ultieme doel: driemaal goud winnen op de Olympische Spelen. Dat gaat boven alles.”