Die soberheid in de kerken is schijn

Recensie

Toon mij uw kerk en ik zeg u welke historische gebeurtenissen er zijn af te lezen aan het interieur. Zeker in dit Reformatieland leidt dat tot fascinerende inzichten. En tot een schitterend, monumentaal boek.

Versiering in de Zuiderkerk in Enkhuizen. Foto uit Kerkinterieurs in Nederland

De belangrijkste figuur voor het Nederlandse kerkinterieur is architect P.J.H. Cuypers (1827-1921). Dat valt tenminste te concluderen uit het onlangs verschenen monumentale boek over dit onderwerp. Vrijwel alle daarin opgesomde namen komen niet meer dan eenmaal voor.

Uitzonderingen zijn lieden als de heilige Willibrord, de hervormer Luther en de bekende bouwmeesters H.P. Berlage en Jan Stuyt. Vergeleken daarmee spant Cuypers de kroon.

Cuypers kon zo’n zwaar stempel drukken op kerkbouw en -decoratie in Nederland omdat hij niet alleen nieuwbouw pleegde, maar ook veel bestaande monumenten restaureerde. Zijn eigen kerken, zoals de neo-gotische Sint-Jacob in Den Haag uit 1875-1888, verwijzen naar het middeleeuwse verleden waarmee de 19de-eeuwse katholieke emancipatie zich graag associeerde. In projecten als de restauratie van de 13de-eeuwse Munsterkerk in Roermond beijverde Cuypers zich zelfs om het gebouw en zijn interieur middeleeuwser te maken dan het ooit was. Iets dergelijks had hij in de zin bij de verbouwing van de Stiftskerk in het Noord-Limburgse Thorn: hij ‘regotiseerde’ het exterieur, maar aan ingrepen in het, volgens hem ‘bedorven’, 18de-eeuwse interieur kwam hij door gebrek aan fondsen niet toe. Tegenwoordig wordt het witgeschilderde interieur met onder meer een barok altaarstuk met een uit levensgrote sculpturen samengestelde scène van de ‘Aanbidding van de herders’ meer op waarde geschat.

Almere

Het is typerend voor dit boek – een staalkaart van duizend jaar interieurarchitectuur en decoratie van kerken en enkele synagogen in Nederland – dat noch over latere verfraaiingen, noch over fantasierijke restauraties waardeoordelen worden geveld. Met die aandacht voor de doorgaans steeds veranderende interieurs geeft het een mooi beeld van honderd monumenten, van de romaanse Onze-Lieve-Vrouwekerk in Maastricht tot de Almeerse Goede Rede, een kerk van architect Gerrit Steen uit 1979.

Het boek is schitterend geïllustreerd met foto’s die speciaal voor de gelegenheid zijn gemaakt: nu eens een overzicht van het hele interieur, dan weer een treffend detail van een meubel, gedenkteken of liturgisch gebruiksvoorwerp, en vaak een blik op fraai gevormde of beschilderde plafonds en gewelven.

Juist in Nederland, met zijn geschiedenis van reformatie, Beeldenstorm, wijdvertakte protestantse kerkgenootschappen en tijdelijke repressie van het katholieke geloof, leidt de studie naar het interieur van bedehuizen tot fascinerende inzichten. De verandering, bijvoorbeeld, van de vorm van het protestantse kerkinterieur in de 17de eeuw waarin niet, zoals in de katholieke traditie, altaar en eucharistie centraal staan, maar kansel en preek. Of de uitmonstering van veel protestantse kerken die vaak als ‘sober’ of ‘ingetogen’ wordt gekarakteriseerd, maar die dat in feite helemaal niet is.

Monumenten-politieke intentie

Pas bij nadere beschouwing blijkt dit boek ook een monumenten-politieke intentie te hebben. Tekenend voor de situatie op kerkelijk gebied in Nederland is een uitspraak die de Utrechtse aartsbisschop Eijk doet in een van de interviews met kerkgebruikers die het boek doorspekken. Eijk stelt vast dat een voorganger van een eeuw geleden nog 115 kerken heeft gewijd, terwijl hijzelf zich meer moet bezighouden met het sluiten van gebedshuizen. De ontkerkelijking sinds de jaren zeventig maakt de gebouwen overbodig voor de eredienst, met functieverandering, sluiting of afbraak tot gevolg.

Dat deze stand van zaken ten minste gedeeltelijk aan de oorsprong van het boek ligt, blijkt pas uit de laatste zinnen. Een afsluitende paragraaf verantwoordt de selectie van de monumenten, op grond van criteria als functie, denominatie en locatie, en stelt dat gebedshuizen van na 1980, zoals grote evangelicale kerken en orthodox-protestantse ‘refodomes’, niet zijn opgenomen omdat de ‘erfgoedwaarde’ daarvan nog niet is uitgekristalliseerd. Dat zal trouwens ook de reden zijn voor het ontbreken van moskeeën, waarvan er in Nederland maar heel weinig ouder zijn dan dertig jaar.

Een andere reden om recente interieurs over te slaan blijkt te liggen in overwegingen van letterlijke monumentenzorg. Want, aldus de samenstellers, ‘die moderne gebouwen [hebben] onder de betrokken gelovigen een groot draagvlak en een aantal oudere kerken niet. Die gaan daarmee een onzekere toekomst tegemoet.’