De verdronken rivier

Wat kun je zien op plaatsen waar op het eerste gezicht niet zo veel is te zien? Een zomerse serie reportages door heel Nederland. Deel 7, de voormalige bochten van de Maas bij Ool, in Limburg.

Rien Zilvold

Lussen, niets dan wijde lussen beschrijft de Maas in het Limburgse landschap. Tussen Maaseik en Roermond maar liefst zo’n zeven grotere en kleinere rondingen, als een kalligrafie in een barok handschrift. De lussen bij Osen en Ool zijn het uitbundigst en beschrijven een afstand van enkele kilometers. De Maas moest hier ooit, in lang vervlogen tijden, van zijn stroomlijn uitwijken voor harde hellingen, terrassen van rivierzand en grindlagen. Dus boog de rivier af, of eerder: werd ertoe gedwongen en zocht een nieuwe bedding, stroomde verder. De meanders die hierdoor ontstaan, geven de Maas zijn karakteristieke grillen. Ook duikt de rivier zelf weg, de glooiingen en slenken van het landschap in.

130816ZAT_MaasMeander

Maar niemand die al die bochten ziet, zelfs schippers niet. Om de Maas te temmen en bevaarbaar te maken zijn er liniaalrechte kanalen gegraven die de lussen afsnijden. Een boot op de Maas houdt een rechte koers aan, terwijl aan weerszijden de rivierloop zwiert. De Maas als gekanaliseerde rivier, als een water vol dwalingen waarvan de wildheid is afgesneden met strakke lijnen, die zo van de tekentafel van de waterstaatkundige ingenieurs komen.

Het in de jaren dertig gegraven Julianakanaal is zo’n waterweg die als een mes door het landschap trekt. Of het Lateraalkanaal dat de weelderige slingers ter hoogte van Roermond, bij Ool, snoeit. Ondanks heuvelland Limburg treffen we hier iets van laagland aan, want de dorpsnaam Ool is afgeleid van ‘ooi’, dat laagland in een rivierbocht betekent. Dat geldt ook voor Ohé.

Nederland en zijn grote rivieren, dat is voor eens en altijd geformuleerd in de befaamde regels van de dichter Marsman over „breede rivieren” die „traag door oneindig/ laagland gaan”. Zoek de Maas in Midden- of Zuid-Limburg, en dan blijkt van dit „oneindig laagland” niets terug te vinden. Marsman schreef zijn gedicht over het midden van ons land, daar waar de wegen en spoorlijnen Lek, IJssel, bovenloop van de Maas en Waal kruisen. Zuidelijker is de Maas onzichtbaarder, behalve in Maastricht. De grote wegen lopen erlangs en de trein onderweg door Limburg gunt de reiziger nauwelijks een blik op de rivier, misschien hier en daar een glimp.

In Midden-Limburg ligt het gehucht Ool. Ik ga erheen om de Maas te zien, de Grensmaas eigenlijk, met zijn slingers en curven, maar dat valt niet mee. Wat naamloos akkerland, licht glooiend, bosschages hier en daar. Wat vooral opvalt zijn hoge, strakke dijken met door basaltkeien verzwaarde voeten. Die lopen langs de kanalen en maken van het landschap een rekenschrift, net als de rechtgetrokken rivierbochten. Maar ik ben gekomen voor de poëzie van een onbeteugelde rivier.

Hier in Ool ben ik in het hart van het stroomgebied van de Maas in Midden-Limburg, ver van de zee en kustprovincies als Zeeland en Groningen, maar het eerste wat ik vind is een lege mosselschelp, en dan nog veel meer. Er hangen veel witte vogels in de lucht, meeuwen, van zee afgedwaald. In een dijk tref ik een coupure aan. Dat is een verrassing, die ken ik van Noord-Groningen en Zeeland. In zo’n coupure of kerf in de dijk plaatst men houten schotten uit angst voor het wassende water. Bij laag water haalt men die weg, en dan is de coupure eenvoudigweg een doorgang door de dijk. Er heuvelt en golft een duingebied langs, toepasselijk Rivierduinen genoemd. In de Maas strekt zich een landtong uit, vanwaar ik uitzicht heb op de bochten die hier zowat een hoek van negentig graden slaan. Kleine eilanden liggen in de stroom, als een archipel. Erachter ligt water, nog meer water, spiegelende watervlakten die hier zo onverwacht zijn dat ik vergeet dat ik in Limburg ben. De Oolderplas, Zuidplas, Plas Hatenboer en Gerelingsplas. Zeilboten varen aan de wind. Motorjachten hebben namen als African Queen, Pelau Pela en Rose des Sables. Het zware scheepvaartverkeer komt hier niet. Het geronk daarvan komt vanaf de laterale kanalen.

De diepe putten zijn ontstaan door winning van zand en grind. Hier komen drie wateren samen: rivier, kanaal, plas. Ik vouw een historische kaart open van dit stroomgebied uit de Atlas der Neederlanden, een kaartenverzameling uit de zeventiende en achttiende eeuw. Ik kijk van kaart naar het Maaslandschap om me heen en van het landschap naar de kaart. Het enige herkenningspunt is de rivier die ver in de tijd terug getekend is als een blauwe, kronkelende slang, niet eens breed, niet eens machtig. Een rivier was destijds een rivier, die stroomde en overstroomde weleens, maar die bleef onaangeroerd en ongetemd.

Daar begon men aan het begin van de twintigste eeuw anders over te denken. Er moesten boezems komen om bij overstromingsgevaar het water te kunnen bergen, dat zijn de grindputten van nu. Ik kijk naar de getekende werkelijkheid van eeuwen her: er liggen landerijen op de bodem van die plassen, misschien wel verdronken boerderijen. Hoog opgaande elzen en populieren markeren de oevers.

De Maas hier is een verdwenen rivier en opvallend smal. Hij lijkt op raadselachtige wijze verdronken in het water van de grindputten, die hier groots en diep zijn gegraven. Ontgrinding heet dat. Ik neem de Oolder veerpont die al vermeld werd in een akte van 1293. Aan de overzijde van de rivier tref ik een monument aan, Vogels heet het. Het betreft de herinnering aan de Watersnoodramp van 1993, waarbij de Maas zich onweerstaanbaar grimmig gedroeg en het water tot uiterste hoogte opstuwde. De vogels van aluminium vliegen alle kanten op van de stalen sokkel, waarop een blauw-golvende lijn aangeeft hoe hoog het water destijds waste. Als ik toen had gestaan op de plek van nu, dan had de rivier zich rond mijn schouders gesloten.