Vliegende juwelen

Libellenkijken is voor hopeloze brildragertjes, vond Siegfried Woldhek altijd. Nu spiedt hij langs de waterkant naar adembenemende pracht.

©

Het is zaterdagochtend 10 uur en ik loop in het Woldlakebos. Overal om me heen zingen vogels. Het is een heerlijk koor van Grasmus, Geelgors, Wielewaal, Tuinfluiter, Boompieper, Spotvogel, Fitis en Matkopmees. Maar hoe mooi ook, toch mist er iets: ik zie ze niet. Laten we wel wezen; de term vogelkijken is eigenlijk misleidend. Meestal valt er weinig te kijken, omdat je ze niet ziet. Vogels hebben de neiging zich te verstoppen. De mannetjes verraden hun aanwezigheid een deel van het jaar nog door te zingen, maar van de vrouwtjes merk je helemaal niets.

Wat ik wel zie in het Woldlakebos zijn libellen. Juist in de periode dat de vogels minder gaan zingen, laten de libellen zich van dichtbij bewonderen. Daarom ben ik een paar jaar geleden toch maar eens begonnen met het leren herkennen van libellen.

Ik schrijf ‘toch maar eens’, omdat ik wat weerstand moest overwinnen. Dat zit zo. In de tijd dat ik begon met vogelkijken, was dat een interessante afleiding voor bebrilde jongetjes die geen vriendin konden krijgen. Extra interessant was het dat er tussen al die jonge vogelaartjes ook wel eens meisjes rondliepen met dezelfde interesse. Maar de echt hopeloze brildragertjes gingen zich verdiepen in insekten: wantsen, zweefvliegen, kevers of libellen. Die libellen moest je eerst vangen met een net, dan voorzichtig eruit peuteren en vervolgens op naam brengen aan de hand van een dun boekje vol bijna identieke zwart-wit afbeeldingen. Met een loep kon je, als je wist waar je moest kijken, de verschillen zien in de tekening op het achterlijf en de beadering van de vleugels. Latijnse namen en termen knetterden door de lucht. Voor mij was dat allemaal veel te moeilijk.

Een paar jaar geleden besloot ik dus me er toch maar eens in te verdiepen. Dat bleek inmiddels veel gemakkelijker dan vroeger, vooral omdat er nu de Veldgids libellen (KNNV) en de fantastische gids Libellen van Europa (Tirion) bestaan. Daarbij helpt ook dat er nu betaalbare verrekijkers zijn die tot op twee meter kunnen scherpstellen. Zo kun je de diertjes ongestoord goed bekijken. Bovendien kun je met de moderne en goedkope digitale camera’s prachtige foto’s van ze maken.

Wat je dan door de kijker of op de foto te zien krijgt is vaak adembenemend mooi. Libellen worden wel eens vliegende juwelen genoemd en die term is voor sommige soorten zeker terecht.

Vogelkijken is voor mij afwachten wat er langskomt. Rustig zittend of lopend neem ik het landschap in me op en de vogels vormen daarbij een aangename stoffering. Voor het kijken naar libellen moest ik anders leren kijken. Dichterbij focussen, sneller reageren op bewegingen, afwijkende patronen herkennen. Bij libellen ben ik op jacht. Ik kijk gespannen in de tien meter gras of bladeren voor mijn neus. Zit daar iets? Waar strijkt dat razendsnel wendende beestje neer? Het lijkt alsof mijn ogen en oren naar voren komen in mijn gezicht, mijn mond hangt open, de ademhaling wordt ondiep. Ik wil het dier besluipen, een plaatje schieten, en thuis van de buit genieten.

De aantrekkelijke kanten

Natuurlijk ziet het er een beetje vreemd uit, zo’n man die spiedend langs de waterkant loopt met een verrekijker en fototoestel. Maar het is de moeite waard die eventuele gêne te overwinnen, want het kijken naar libellen heeft een paar aantrekkelijke kanten:

Een: Het is een overzichtelijke groep. Anders dan bij vogels gaat het in Nederland niet om honderden maar om tientallen soorten, en veel daarvan zijn gemakkelijk te onderscheiden;

Twee: Libellen hebben de aangename gewoonte te vliegen als het mooi weer is. Als het nat of koud is zitten ze verborgen in het gras en de struiken.

Drie: Ze zitten op dezelfde tijd van het jaar steeds op dezelfde plaats. Je kunt ze dus redelijk gemakkelijk terugvinden. Dat gaat heel ver; een bepaalde boomstam of stukje oever worden jaar in jaar uit door dezelfde soort bezocht in dezelfde weken van het jaar.

Vier: Ze hebben mooie namen, zoals Watersnuffel, Lantaarntje, Groene Glazenmaker, Blauwe Breedscheen, Viervlek, Platbuik, Paardenbijter, Koraaljuffer of Gevlekte Witsnuit;

Vijf: De hulpmiddelen zijn overzichtelijk. Een kijker die tot dichtbij kan scherpstellen, een digitaal cameraatje, de gids van K.D.Dijkstra en je kunt aan de slag. Waar al dat moois te vinden is kun je zien op het overzichtelijke libellennet.nl van de Vlinderstichting en via waarneming.nl. Je kunt zelfs libellenlarvenhuidjes determineren met de fraaie gids van Christophe Brochard en Ewoud van der Ploeg.

Zes: Er valt ook voor de beginneling iets te ontdekken. In mijn tuin in Giethoorn zag ik twee zeldzaamheden bij elkaar. Dat kan natuurlijk beginnersgeluk zijn. Of een heel bijzondere plek. Maar het zou ook kunnen dat daar nog niet zo goed naar libellen is gekeken.

Als je de algemene soorten eenmaal een beetje kunt onderscheiden, gaat er een nieuwe wereld voor je open. Je gaat zien dat een Glassnijder heel anders vliegt dan een Viervlek. Van Blauwe Breedscheenjuffers ga je een beetje lachen, zeker als ze met hun brede poten wapperen bij het zien van een concurrent. Je gaat je afvragen hoe parende libellen erin slagen een vliegmachine te vormen met 8 vleugels, zonder neer te storten.

Natuurlijk zijn er ook wat minder geslaagde modellen. Zo kunnen de Steenrode en de Bruinrode Heidelibel me niet erg bekoren. Hoe fascinerend ze vast ook zijn voor de expert, ik vind ze saai. Maar dat zijn de uitzonderingen. De meeste zijn prachtig en je kunt ze nog echt zien ook. Oftewel, vroeger was het: ‘Hé, ik hoor een Goudvink’. Nu kan ik eraan toevoegen: ‘En ik zie een Smaragdlibel’.