Feuilleton in 60 afleveringen 41/60 President Tsaar op Obama Beach A.F.Th. van der Heijden Wat voorafging:Weer op vrije voeten liep Natan bij Grabovo een bedroefde Nikita tegen het lijf: twee van zijn vriendjes waren op een voetbalveld gedood door een afzwaaier uit de richting van luchthaven Prokofjev. Het zou wel niet uit eerbied voor de 

Feuilleton in 60 afleveringen

41/60

President Tsaar op Obama Beach

A.F.Th. van der Heijden

Wat voorafging:Weer op vrije voeten liep Natan bij Grabovo een bedroefde Nikita tegen het lijf: twee van zijn vriendjes waren op een voetbalveld gedood door een afzwaaier uit de richting van luchthaven Prokofjev.

Het zou wel niet uit eerbied voor de dode tieners zijn, maar vandaag zwegen op de luchthaven de mortieren. Samen met Nikita klom ik naar de bovenste verdieping van een verlaten fabrieksgebouw. Zijn moeder bleef bij Semjon in de taxi. Nikki zei: ‘Heb je ’s een keer een fantastisch uitzicht over het Prokofjev, ligt alles aan puin.’ Hij had zijn schetsboek vol MX17-brokstukken meegenomen, maar zou er niet in tekenen. De verkeerstoren, die de gribus tot voor kort nog als vliegveld herkenbaar had gehouden, was inmiddels door de Seps aan barrels geschoten. Nikki had wel een tekening in zijn hoofd: ‘Eigenlijk zou je alle wrakstukken van MX17 hier neer moeten leggen… kon je zien hoe alles op elkaar lijkt. Dan was het net of de Boeing op het Prokofjev neer was gestort.’

Een waar woord, Nikki. Gebouwen, machines, mensen… de oorlog liet op alles en iedereen dezelfde vervormde pootafdruk achter.

We lieten ons door Semjon naar de school rijden. Het gras van het voetbalveld was zo mooi witberijpt dat het leek of de begrafenisonderneming hier uit eerbied een kleed had uitgerold. De krater was volgestort met witkalk, ongetwijfeld dezelfde die hier voor de belijning werd gebruikt, maar van dichtbij bezien bleken delen ervan zich te hebben volgezogen met bloed en modder. Het gat in het hekwerk was door draadtangen of betonscharen verder opengeknipt, natuurlijk om ruimte te maken voor de brancards. Er lag daar een rafelig vod, dat misschien ooit een winterjas was geweest van met Schotse ruit gevoerd ribfluweel. Rond de krater de internationale tekenen van rouw: bloemboeketten en knuffeldieren, waarvan er ook een paar in het net van de nabije goal hingen, bij wijze van te laat gekomen mascottes. Brandende waxinelichtjes vormden in het beijsde gras een groot vraagteken. Rondom elk houdertje was de rijp een klein beetje weggesmolten.

We staken het voetbalveld over naar het schoolgebouw. De goals, viel me op, waren roodwit geverfd, en leken zo opgetrokken uit verzaagde slagbomen. Ze hadden de clusterbom niet kunnen tegenhouden. In de kleine aula lagen de beide jongens naast elkaar opgebaard in open kisten. Er verdrong zich veel volk omheen. Zwijgend. De enige geluiden waren voetgeschuifel en opgehaalde neuzen. Het was vriesdroog buiten, en toch hing er in de kale chapelle ardente een hondenlucht van in motregen gedrenkte winterkleding met veel namaakbont. Nikki’s moeder ontfermde zich over tante Xenia. Ik kreeg een dunne brandende kaars gewikkeld in een papieren servetje overhandigd door een oude vrouw. Nikki maakte geen haast om bij de kisten te komen. Ik legde mijn vrije hand in zijn nek, en vroeg of hij het wel aankon allemaal.

‘O, jawel,’ zei hij bleekjes. ‘Ik ben een kozak.’
‘Ooit eerder een dode gezien?’
‘Jouw moeder toch, bij de kippenboerderij. En wel meer lijken, de dag tevoren.’

Eindelijk stonden we vooraan. Tante Xenia, ondersteund door Nikki’s moeder, huilde met ingehouden kreuntjes en piepjes. Van de kisten was de binnenkant bekleed met zilverig witte kunstzijde, dat als melkschuim leek over te koken. De jongens lagen vredig als in een kinderbedje waar ze al lang uitgegroeid waren, nog een laatste maal door hun moeder ingestopt. Alleen de bossen bloemen waar hun dek onder schuilging, pasten niet bij het beeld van een jongenskamer. De smalle doek rond het hoofd van Rinat zou wel geen zweetband zijn ter verwijzing naar zijn prille voetbalcarrière. Nikita bekeek de gezichten van zijn vrienden van heel nabij – niet nieuwsgierig, niet verbijsterd, maar fotograferend met zijn ogen: zo sloeg hij hun beeltenis op, voor later.

Terug in Grabovo liepen we samen door het veld. De langstelige zonnebloemen lieten hun platte kroon hangen: stakerige tragediennes op auditie voor een stomme film. Hun vergeelde bladeren hadden wel iets van het omhulsel dat losliet van een rijpe maiskolf: net zo stug en droog en ritselend. ‘Enig idee, Nikki, waarom de boeren na de zomer hun zonnebloemen niet geoogst hebben?’ En Nikita meteen: ‘Zeg nou zelf, Natan… wie wil er olie uit zonnebloemen waar dooie mensen tussen gelegen hebben?’

We bleven tegelijk stilstaan: tussen de stengels rees nog een lange stok op, met een wit lint eraan. Er lag geen lichaam in de buurt. ‘Natan, die regering van jou wilde hier toch alles onderzoeken voordat het winter werd? Het is nu echt wel winter, hoor.’ Hij stampte demonstratief op de halfharde grond, zogenaamd om zijn voeten in rubberlaarsjes warm te krijgen.

Handtekening A.F.Th. van der Heijden

Het tweeënveertigste deel van dit feuilleton verschijnt vrijdag 12 augustus op nrc.nl/afth.