‘Onnodige geluiden waren het ergst’

Schrijfster Jente Posthuma ergerde zich aan eetgeluiden, vertelt ze bij een driegangenlunch. Komende week verschijnt haar debuutroman. „Ik weet soms zelf niet of het goed is wat ik doe.”

Als lunchlocatie kiest Jente Posthuma Restaurant Mos in Amsterdam. „Ja, ik ga nu niet bescheiden doen”, mailt ze. „Als ik veel geld had dan was ik al twintig keer bij Mos geweest en kon ik nu leuk met je afspreken bij Snackbar Onze Hanny bijvoorbeeld, bij mij in de straat, maar dat soort bescheidenheid kan ik me niet permitteren, helaas.”

Het restaurant kijkt uit over een zonnig IJ, Posthuma tuurt af en toe nadenkend naar de voorbijglijdende schepen terwijl ze zoekt naar antwoorden op mijn vragen. Ze weegt haar woorden zorgvuldig. „Voordat ik iets verkeerd formuleer en jij iets opschrijft wat ik niet bedoelde.”

Posthuma schreef drie jaar aan haar debuutroman, Mensen zonder uitstraling. Komende week komt het uit. Ze verwierf enige bekendheid met haar korte verhalen. In 2012 won ze met Wensen de allereerste A.L. Snijdersprijs voor zeer korte verhalen (zkv). Ze speelde met onder meer Tommy Wieringa, A.L. Snijders, en Carel Helder drie literaire voorstellingen in de Kleine Komedie in Amsterdam. En volgende week op Lowlands treedt ze twee keer op met haar verhalen.

Het was bijna toevallig dat ze een aantal verhalen over dezelfde hoofdpersoon schreef. De verhalen werden ook steeds langer, groeiden uit tot hoofdstukken, een roman. De hoofdpersoon van Mensen zonder uitstraling heeft een dominante moeder, die in het eerste hoofdstuk ziek is, en overlijdt. We maken sprongen in de tijd; de hoofdpersoon is kind, puber, student, volwassene. Vader is hoofd van een psychiatrisch ziekenhuis. Hij raadt zijn patiënten en zijn dochter aan om hun dag in afgebakende blokken in te delen. Volgens hem krijg je zo grip op het leven. Grip heeft de hoofdpersoon desondanks niet.

Jente Posthuma groeide op in Enschede, in een huis met een hondenpoepveldje ernaast. Het poepveldje zit ook in Mensen zonder uitstraling. Maar de bungalow in het boek is niet het huis waar ze als kind woonde. Zo is het met veel in het boek. Haar vader was voor hij met pensioen ging psychotherapeut. Toen het schrijven van haar scriptie maar niet op wilde schieten, gaf hij de tip haar dag in te delen in blokken. Een wijze les die zoveel indruk heeft gemaakt dat hij in het boek terechtkwam? „Ik heb het hem vaker horen zeggen ja, maar een belangrijke wijze les, nee. Mijn vader is wijzer dan dat.”

De dominante moeder uit het boek is zeker niet háár moeder. Maar haar moeder heeft wel al twintig jaar kanker. Eerst uitgezaaide borstkanker, toen uitgezaaide eierstokkanker. „Elke keer dat de kanker terugkwam werden de overlevingskansen kleiner. De laatste keer is nu zes of zeven jaar geleden, er was nul overlevingskans. Toch leeft ze nog steeds. Ze wordt wereldwijd besproken op artsencongressen, als successtory. Ik begon te denken, wat als ze wel dood was gegaan?” Daarmee kwamen de eerste verhalen van het boek. „Misschien is de werkelijkheid een interessanter thema, hoe leef je met een moeder die al twintig jaar bijna doodgaat? Maar op dat moment vond ik dat minder interessant.”

Smakken, slikken, neus ophalen

De tweede van de drie gangen van het lunchmenu is een ingewikkeld opgemaakt bord met diverse soorten vis. Als we de eerste hap in onze mond steken, begin ik over eetgeluiden. Posthuma heeft misofonie, ze kan vreselijk geïrriteerd raken of zelfs boos worden bij het horen van menselijke geluiden. Smakken, slikken, neus ophalen. Toen ze er eenmaal op ging letten, ergerde ze zich zelfs aan gapende mensen tijdens haar yogales. Haar antwoord komt direct: „Daar heb ik hier geen last van hoor!” Op de geluiden van vreemden let ze niet zo, op die van haar ouders en haar vriend wel. „Ik vond het altijd belachelijk dat mensen lawaai maakten tijdens het eten. Onnodige geluiden, die waren het ergst. Asociaal vond ik het, dat mensen zich op die manier de ruimte toe-eigenen.”

Ze ging ervoor in groepstherapie, waarover ze schreef voor literair tijdschrift Revisor. Wanneer besloot ze dat die therapie nodig was? „Ik was zwanger. Ik dacht, straks krijg ik het ook bij m’n zoontje.” En sinds ze samenwoonde, ervoer ze wat eerder alleen op vakanties vervelend was: je kunt niet zomaar weggaan. De therapie bleek meer een cursus te zijn. Ze leerde op andere geluiden dan eetgeluiden te focussen. Het gaat nu best goed, zegt ze. „Ik vind het vooral vervelend voor mijn vriend, als hij zo stil mogelijk een koekje probeert te eten bijvoorbeeld. Hij kan er wel mee leven, zolang ik hem maar niet de schuld geef als ik geïrriteerd raak. Hij eet overigens heel normaal, laat dat duidelijk zijn.” Bij haar zoontje – Marius is inmiddels 2,5 – heeft ze nergens last van. „Als hij slurpend een peren-ijsje eet, vind ik dat schattig. Een peuter kan niet anders, ik denk dat dat het is.”

Posthuma werkte een paar jaar als freelance journalist. Ze schreef onder meer interviews voor De Groene Amsterdammer en nrc.next. Literair schrijven ligt haar beter dan journalistiek, zegt ze. „Voor redacties waren mijn ideeën te vaag, ze hadden niet echt met de actualiteit te maken. Ik vond interviewen leuk en mijn stukken waren goed, maar ik had geen idee wie er op dat moment ‘in the picture’ was. Of beter nog, wie straks in the picture komt, want je moet natuurlijk een beetje op de zaken vooruitlopen.”

Ze leerde door het interviewen veel over hoe andere mensen in elkaar zitten. „Succesvolle mensen worstelen ook met zichzelf. Dat vond ik een prettig idee. Geruststellend.” De Vlaamse cabaretier Wim Helsen was zo’n geruststellend voorbeeld. Hij was ook heel moeilijk van de bank af te krijgen, zegt ze. „Zijn vrienden reden hem naar optredens.” Dus zij komt moeilijk van de bank af? „Ik zit er nog steeds half op geloof ik.” Het is even stil. „Ik heb stimulans van buiten nodig.”

Geen sjoege

Al twee keer is de naam van journalist en schrijver Carel Helder gevallen, hoofdredacteur van online literair magazine Torpedo waar Posthuma regelmatig verhalen publiceert en ook kantoor houdt. Het was Helder die haar voorstelde aan haar literair agent, en hij vroeg haar mee te doen aan de voorstelling in de Kleine Komedie. „Ik weet soms zelf niet of het goed is wat ik doe”, zegt Posthuma. „Hoewel er wel een kern in mij is die gelooft dat ik het kan hoor.” Ze vertelt over de eerste keer dat ze haar verhalen aan Helder had laten lezen, omdat ze die graag bij Torpedo wilde publiceren. Dat ging via via en hij gaf geen sjoege. „Ik dacht bij mezelf, nee, wat ik schrijf is wél goed. Een tijd later heb ik het hem opnieuw laten lezen.” Toen vond hij ook dat het goed was. „Ik heb het denk ik nodig dat iemand iets van me verwacht. Een deadline is ook fijn. Daarom was ik blij toen ik halverwege mijn boek een contract kreeg bij uitgeverij Atlas Contact. Er was een stok achter de deur.”

Anders dan bij journalistieke onderwerpen komen verhalen vanzelf. Maar het opschrijven gaat moeizaam. „Ik schrijf heel langzaam. 300 woorden per dag.” Ze raakt snel afgeleid, zegt ze. Zit de halve dag te internetten. „Het schrijven gaat daar eigenlijk tussendoor. Af en toe een zin en dan klik ik weer weg.” Ze komt vaak pas laat op de dag op gang. Zeker nu ze een zoon heeft, is dat niet zo handig. „Hij gaat wel naar de opvang, maar als ik tegen vier uur ’s middags een keer iets op papier krijg, moet ik hem alweer bijna ophalen.”

Ze is nu met 300 goede woorden per dag tevreden. En wat ze dan opschrijft, blijft wel zo ongeveer staan. Ze tikt geen lappen tekst om weer driekwart weg te gooien. „Daarna ga ik wel nog heel veel prutsen, tien keer aan ieder woordje.” Het schrijven ziet ze zeker niet als hobby, zegt ze ineens weer resoluut. „Schrijven is werk.” Maar wel werk waarvan ze weet dat ze ermee verder wil. De journalistieke jas paste haar niet, die van schrijver wel, ook al gaat het soms moeizaam. Een idee voor een tweede roman is er al – nee, ze wil er nog niet over vertellen.

Ik zeg dat ze overkomt als een goed observator. In haar boek en verhalen zit veel absurditeit. Ze knikt, maar waar het absurde hem in zit, kan ze niet goed onder woorden brengen. Ziet ze het direct als een absurde situatie zich voordoet? „Een vervelende situatie wordt weer leuk als ik bedenk dat ik er iets mee kan. Laatst waren we ergens op bezoek. Het was saai en ik wilde weg. De persoon waar we waren, was een nogal typisch figuur. Ze sprak tegen m’n zoontje alsof ze het tegen een hond had. Dat zag ik op dat moment wel, en dat maakt zo’n bezoekje dan de moeite waard.”

Ze maakt nooit aantekeningen, schrijft geen halve ideeën of flarden van conversaties op. „Ik koop af en toe wel een opschrijfboekje. Een tijdje terug nog een mooi schrift. Maar het ligt in de kast. Ik heb er een keer een boodschappenlijst in gezet, maar verder staat er niets in.” Precies onthouden is ook niet nodig. „Uiteindelijk verzin ik overal wat bij.”