Onbewoonbare woonmachines

Nauwe verwanten

Bernard Hulsman bespreekt architectuurontwerpen die op elkaar lijken. Vandaag: bewoners die hun puristische woningen aanpassen.

Machinewoningen: Cité Frugès bij Bordeaux (boven) en in Törten, Dessau . Foto’s Bernard Hulsman

‘Woonmachines’ noemde Le Corbusier zijn huizen. Dat dit vooral een kreet was, bewijst de Cité Frugès, een tuindorpje van 51 woningen bij Bordeaux dat de UNESCO in juli als een van de zeventien ontwerpen van Le Corbusier op de werelderfgoedlijst plaatste. Terwijl geen mens onmiddellijk na aankoop gaat sleutelen aan een auto of een andere echte machine, sloegen de bewoners van de Cité Frugès na de oplevering in 1928 meteen aan het klussen om hun woonmachines bewoonbaar te maken. Lekkende, platte daken vervingen ze door puntdaken, daktuinen veranderden ze in serres en de horizontale strookvensters verkleinden ze tot verticale ramen.

Toen Le Corbusier te horen kreeg dat zijn tuinwijkje onherkenbaar was veranderd, antwoordde hij berustend: „Het leven heeft altijd gelijk, het is de architectuur die het bij het verkeerde eind heeft.” Maar in de jaren zeventig vonden Franse monumentenzorgers dat de architectuur toch gelijk had. In 1980 werd de Cité Frugès op de monumentenlijst geplaatst en begon de restauratie van het wijkje. Zesendertig jaar later is die nog altijd niet voltooid. Veel van de woningen hebben nog altijd kleine ramen en versierde deuren. Eén huis heeft zelfs een trapgevel en zeshoekige ramen waaronder bolvormige plantenbakken zijn gehangen.

De woonmachines die wel in originele staat zijn hersteld, laten goed zien waarom de eerste bewoners meteen aan het verbouwen sloegen. Le Corbusiers reductie van architectuur tot ‘puristische’, gladde gevelvlakken maakt zijn gebouwen buitengewoon kwetsbaar. Vooral het ontbreken van dakranden zorgt ervoor dat drabbige watersporen de gepleisterde gevels kort na de restauratie alweer een sjofel aanzien geven.

Tegelijkertijd met de Cité Frugès werd ook in Törten, een buitenwijk van Dessau, een tuindorp met machinewoningen gebouwd. Geïnspireerd door de assemblagelijn van de Fordfabriek in Detroit had Walter Gropius, de directeur van het in Dessau gevestigde Bauhaus, een bouwsysteem met een bouwkraan op rails bedacht. Hiermee kon in één dag een arbeiderswoning worden neergezet.

Gropius was trots op de 314 lopendebandwoningen van Törten en maakte er een boekje over. Foto’s hierin laten smetteloze rijtjeshuizen met platte daken en strookvensters zien. Maar net als de bewoners van de Cité Frugès hebben die van Törten zich ontworsteld aan de dictatuur van de machine. Bijna alles hebben ze aan hun rijtjeshuizen veranderd. Ook in Dessau zijn bijna alle strookramen vervangen door verticale ramen en deuren bestaan er in grote variëteit. Heel handige bewoners hebben hun kale betonnen huizen bekleed met gele bakstenen of leisteen.