Olympische droom van Henk Grol uiteengespat

Judo Nooit meer naar de Spelen, nooit meer jagen op goud. Na zijn uitschakeling in de tweede ronde gaat Henk Grol afkicken van het judo.

Foto ANP

Na vijftien jaar stress verdient de psyche van Henk Grol rust. Maar gunt de judoka zichzelf die kalmte, nu hij weet dat de olympische titel voor altijd onbereikbaar blijft na zijn uitschakeling in de tweede ronde in Rio? „Vraag me dat over een paar maanden nog een keer, want vandaag heb ik mijn ziel verloren.”

Zo hard zag Grol af voor zijn olympische droom:

Grol kondigde in Brazilië zijn afscheid aan. Dat wil zeggen, hij sluit deelname aan de volgende Olympische Spelen in Tokio uit. Mogelijk dat hij nog een jaartje doorgaat om af te bouwen en af te kicken, maar dan is het mooi geweest. Dan is Grol geen judoka meer. Dat zal wennen zijn, voor de buitenwereld, voor zijn naaste omgeving, maar vooral voor hemzelf. De naam Grol staat synoniem voor judo in zijn meest pure vorm.

Een gouden medaille zou hem gelukkig maken

Grol is een gevoelsmens met maniakale trekjes. Zijn obsessie was de gouden olympische medaille. Die wilde hij winnen, hoe dan ook. Daarvoor legde hij 26 jaar geleden de kiem in Veendam, waar hij als druk en levendig kind met judo in aanraking kwam en voelde dat die sport op zijn gevoelsleven aansloot. Een gouden medaille zou hem gelukkig maken, dat wist Grol zeker.

Maar de intensiteit waarmee Grol de heilige graal nastreefde, zat hem doorlopend in de weg. En dat beseft hij beter dan wie ook. Zoveel zelfkennis heeft de judoka wel. „De stress van steeds maar willen winnen heeft mij stukgemaakt.” Om eraan toe voegen: „Maar zo ben ik nu eenmaal. Ik heb gedaan wat ik meende te moeten doen. En daarmee ben ik geen olympisch kampioen geworden. Dat is de harde werkelijkheid.”

Op de rug gooien

Probeer dat gevoel maar eens uit te schakelen als je Henk Grol heet. Dat valt niet mee. Omdat het op de judomat ook zijn kracht was. Grol koos altijd vol overgave voor de winst. Zijn specialiteit: de tegenstander bij de benen pakken, optillen en op de rug gooien. Die actie gaf hem de ultieme voldoening; daarvoor judode hij.

Grol had er succes mee. Hij was vijftien jaar de beste van Nederland, drie keer de beste van Europa, maar nooit de beste van de wereld. Dat steekt. Drie keer zilver op een WK en twee bronzen olympische medailles, vele judoka’s zijn trots op zo’n erelijst, maar Grol (nog) niet. „Een groot kampioen, zeker geen net-niet-kampioen”, oordeelt zijn trainer Maarten Arens. „Heel weinig Nederlandse judoka’s hebben zo’n palmares als Henk Grol opgebouwd.”

Mag Maarten vinden, zegt Grol, als hij met het compliment van zijn coach wordt geconfronteerd, „maar dat is alleen aan mij om te bepalen”. Dat is niet vervelend bedoeld, maar zo is Grol nu eenmaal. Hij bepaalt wie hij is, niet anderen. En de balans van zijn topsportbestaan maakt hij op met familie en vrienden – „want die kennen mij echt.”

De regels werkten in zijn nadeel

In Rio de Janeiro strandt de carrière van Grol. Later dan hij vier jaar geleden had besloten. Hij had na de Spelen van Londen willen stoppen, omdat de regels zwaar in zijn nadeel waren veranderd.

Van de internationale judofederatie mocht hij plotseling niet meer een aanval op de benen inzetten en de tegenstander optillen. Grol des duivels. Waren die ambtenaren helemaal gek geworden? Hij werd voor zijn gevoel ontwapend, ontkracht, als Simson toen-ie zijn haren verloor.

Grol: „Dat was een moeilijke periode. Ik wilde stoppen, omdat ik er klaar mee was. Ik dacht: zoek het lekker uit met jullie sport. Door de commitment van mijn sponsors ben ik doorgegaan, maar dat ga ik niet nog eens vier jaar doen.”

Hij had het anders aangepakt, zijn voorbereiding was goed

Judo zonder de tegenstander te mogen tillen vindt Grol niet leuk. De sport is in zijn ogen versimpeld tot een tactisch gesjor aan judopakken. Hij haat het. Met de oude regels zou hij Rio niet in de tweede ronde door de Fransman Cyrille Maret zijn uitgeschakeld. Grimmig: „Dan had-ie geen twee minuten overleefd, dan had-ie geen schijn van kans gehad. Ik heb die jongen al acht keer verslagen.”

Het mocht niet zo zijn, terwijl hij zaakjes inmiddels wat anders had aangepakt. Grol zocht niets zelf meer uit, maar liet zich begeleiden door oud-Rugby’er Yves Kummer. Dat beviel. Hij was van veel gedoe verlost en had zich goed kunnen voorbereiden op de Spelen.

Grol bleef, op advies van Kummer, ook meer in de luwte. De media hield hij zoveel mogelijk op afstand. Kon hij ook niet meer de gekste dingen roepen. En dat beviel.

Een bijna obscene vraag

Hoe Grol terugkijkt? Hij kan op die vraag geen antwoord geven. De 31-jarige judoka heeft nog niet teruggekeken. Heeft er ook geen zin in gehad. En zijn hoofd staat er niet naar. Zijn olympische droom is uiteengespat. Hij is stuk, kapot, mentaal gebroken, hoe kan hij dan terugblikken? Dat is in zijn perceptie bijna een obscene vraag.

Zieligheid is aan Grol niet besteed. Hij wil als een kerel herinnerd worden, niet als een slapjanus die van de judomat is geblazen. Het is zoals het is. Punt. Grol: „Ik heb 26 jaar knetterhard getraind, mijn hele leven aan judo gewijd, maar nu is het klaar. Ik heb op beslissende momenten gefaald. Ik heb niet het maximale uit mijn loopbaan gehaald. Dit is het einde van een carrière, het is over.”

En weg beent Henk Grol. Naar een leven zonder judo.