Obstakel

Regelmatig fiets ik een rondje door de polder. In het weekend word ik vaak ingehaald door een lange slinger van semi-wielrenners die de vaart erin houden. Voor hen ben ik een obstakel. Bij gebrek aan een fietsbel kondigen de voorste gelederen hun komst meestal aan met een onnavolgbare, onuitsprekelijke oerkreet.

Onlangs hoorde ik een melodieuzer variant, met een knipoog naar Herman van Veen. In de verte klonk het zachtjes, naarmate ze dichterbij kwamen zwol het aan: „Opzij, opzij, opzij, maak plaats, maak plaats, maak plaats, wij hebben ongelofelijke haast…”