Nadat op 18 juli 2014 de lichamen van mijn ouders door leden van de Oekraïense hulpdienst SAS van de rampplek waren weggevoerd (met vooralsnog onbekende bestemming), liep ik het dorp Grabovo in op zoek naar een drogisterij.

Ik trof daar het jongetje Nikita weer, gezeten op het stoepje van zijn moeders kruidenierszaak, die eigenlijk een soort Winkel van Sinkel was. Ja, hoor, gips was er ook te koop. Met een kilopak, een tweeliterfles mineraalwater en een plastic kinderemmertje keerde ik terug naar de plek waar ik mijn moeder gevonden had. Toen ik hem verzekerd had dat het stoffelijk overschot van ‘de vrouw zonder jurk’ er niet meer lag, huppelde hij mee naar de kippenloods, razend benieuwd wat ik met de spullen van plan was.

Op de ouderwetse wijze, zoals ik die vroeger van mijn handwerkmeester geleerd had, maakte ik met een gipspapje een afdruk van het tractorspoor waar mijn moeder in neergeploft was. Niet van de precieze plaats, want daar was het bandenprofiel door haar val vernietigd, maar van de gedeelten net erboven en net eronder, waar de geelrode modder weken in de zon had liggen bakken en nu wel van aardewerk leek. Nikki keek toe hoe ik de plakken gestold gips uit het tractorspoor lichtte, en vroeg, misschien denkend aan oude detectives die hij op televisie had gezien: ‘Ga je ermee naar de politie?’

‘Nee, ik breng ze naar de steenhouwer. In Amsterdam, waar ik woon. Hij moet dat bandenprofiel in haar grafzerk uithakken. Dit tractorspoor was tenslotte haar laatste... nou ja, voorlaatste rustplaats.’

Nikita keek me met grote ogen aan, hard proberend me te begrijpen, en slaakte ten slotte een diepe zucht, zoals ik volgens mijn vader ook altijd deed wanneer ik hem bij het ordenen of inpakken van een manuscript iets onbegrijpelijk handigs zag doen. ‘Die tractor is van mijn opa,’ zei Nikki. ‘Hij vindt het vast wel goed, hoor.’

De gipsafgietsels waren me te kostbaar om in het hotel achter te laten: ik zeulde ze dagenlang in mijn rugzakje rond, tot ze in de Hercules mee naar het vaderland reisden, waar ik ze aan de Amsterdamse steenhouwerij RELIEF toevertrouwde. Vaak duurde het weken of maanden voordat een graf van een steen werd voorzien, maar toen ik mijn ouders op 3 oktober 2014 ging begraven, was er sinds hun overlijden tweeëneenhalve maand verstreken, en had RELIEF alle tijd gehad om van de zerk met het bandenspoor een meesterwerk te maken. Op weg naar de aula nam ik er een kijkje: voor de vers geplaatste steen gaapte een extra diep gat, dat op de bodem een laagje grondwater verzameld had, waar de eerste gele blaadjes van de herfst in dreven. Onder het V-motief van de bandafdruk prijkten hun namen met verschillende geboortedata en dezelfde sterfdag.

Zo rond mijn tiende kreeg ik wegloopfantasieën. Niet omdat ik dacht een prins van den bloede te zijn, die het bij zijn lelijke stiefouders niet meer uithield en nodig op zoek moest naar zijn gouden wortels, maar juist omdat ik ze te veel liefhad en doodsbang was om, door langer te blijven, me nog nauwer aan ze te gaan hechten. Ze te verliezen zou niet minder dan de hel voor me zijn, en viel ik zelf aan de dood ten prooi, dan zou dat hun leven tot een hel maken. Beter de banden door te snijden eer ze tot verstikkens toe strak zouden gaan staan. Heimwee naar huis, in het wegloopland van mijn keuze, zou draaglijker zijn dan de last van een almaar doorgroeiende liefde.

Ik was er niet vandoor gegaan. Tot ruim een jaar na mijn volwassenwording had ik bij mijn ouders gewoond: te laat om me nog te kunnen bevrijden van die wederzijds bezwarende symbiose. Tweeëneenhalve maand geleden stond ik in een godsonmogelijke uithoek van de Donbas te beven bij hun levenloze lichamen. Bestond er een mythe waarin telkens opnieuw iemands hart uitgerukt werd, in plaats van zijn lever? Zo voelde het sindsdien. Ik wist dat de pijn zichzelf onophoudelijk, dagelijks, zou blijven vernieuwen, tot aan het einde van mijn dagen. Als tienjarige met wegloopfantasieën had ik het blijkbaar allemaal voorzien – zonder er de uiterste consequentie aan te verbinden. Ach, ik was nog maar een kind, oordeelde ik misschien toen ook al. Ik bleef thuis, en liet de liefde woekeren, tot in de dood.

Ik liep langzaam naar de aula. De roodbruin gelakte kisten, die straks in de kuil op elkaar gestapeld zouden worden, stonden nu nog, met bloemen overdekt, naast elkaar. Ik legde op elk deksel een hand. Meer dan ooit tevoren stroomde ik over van liefde voor ze, maar die sijpelde nu in ontzield weefsel, onbeantwoord.

Alle reeds gepubliceerde afleveringen van het feuilleton zijn te vinden op nrc.nl/afth