‘Ik zakte met Jan door een houten brug’

Niet de bestemming, maar de reis is het doel. Noud Dirks (66) ging te paard naar Istanbul.

‘In 1976 reed ik met mijn vrouw Marjet in een oude eend naar Jordanië. Langs de weg zagen we toen een hippie op een schimmel rijden. Dat beeld bleef in mijn hoofd zitten. Ik zei tegen Marjet: het lijkt me geweldig om te paard naar Istanbul te reizen. Daar hebben we toen veel lol om gehad. Ik heb er daarna nooit meer iets over gezegd.

„Toen ik bijna veertig jaar later mijn bedrijf [een vakopleidingsinstituut] verkocht, zei ik tegen Marjet: ‘Weet je wat ik nu ga doen?’ Ze aarzelde geen moment. ‘Jij gaat te paard naar Istanbul.’

„Ik nam om te beginnen rijles, want ik had nog nooit op een paard gezeten. Eerst was ik bang op zo’n groot beest, maar het ging goed. Ik kocht een rustig paard, een Appaloosa met blauwe ogen, die ik Jan noemde. Omdat ik slecht tegen alleen zijn kan, kocht ik een tweede paard, Karel, om een gastruiter te dragen.

„Ik liep een tijdje mee met een hoefsmid en met een veearts, zodat ik problemen onderweg zelf zou kunnen oplossen. Daar heb ik geen spijt van gehad. Vervolgens vroeg ik mijn vrienden wie er een week mee wilde als gastruiter of om vooruit te rijden met de auto en kwartier te maken. De respons was overweldigend. Mijn reis duurde 23 weken en voor elke week had ik andere gastruiters en kwartiermakers.

„De tocht voerde door Duitsland, Oostenrijk, dwars door de Hongaarse poesta, Roemenië en Bulgarije. Verharde wegen vermeden we. Hoe verder we kwamen, hoe verlatener het landschap werd. We reisden door gebieden waar de mensen niets hadden, maar ze heetten ons warm welkom en droegen karren vol hooi aan voor de paarden. Die armoede, dat is ook Europa.

„We kampeerden op de gekste plekken: op een kerkhof, een voetbalveld, zelfs op een marktplein midden in een dorp. De hele bevolking liep vervolgens uit om ons te bekijken: wij waren een attractie. We deelden pennen, truitjes en petten uit die we speciaal hadden meegenomen en alle kinderen mochten een ritje maken.

„Overal waar we kwamen, kregen we drank aangeboden, want die mensen stoken allemaal hun eigen troep. Die drank heb ik afgezworen, want het was gewoon niet bij te houden. Met een houten kop onderweg zijn is niet leuk.

Er waren ook dagen dat ik het helemaal had gehad. In juli en augustus was het eigenlijk te warm en er waren zoveel insecten. Het ergste was toen ik met Jan door een houten brug zakte en we in de rivier vielen. Alles was helemaal nat en hele stukken vel van Jans achterbenen hingen erbij. Ik heb het zelf gehecht en het genas gelukkig snel.

„Na drieëneenhalve maand kreeg ik last van heimwee, maar ik zette resoluut de knop om. Want wat je op zo’n tocht meemaakt is zo overweldigend, dat wilde ik echt niet missen.

„De hartelijkheid van de mensen in Oost-Europa maakte diepe indruk op me. In Roemenië richtten bejaarde tweelingzussen een feestmaal voor ons aan met ingemaakte groente uit hun kelder – het enige wat ze hadden. Ze hadden het terras van hun oude huis met slingers versierd. Toen we er achter kwamen dat ze slecht zagen, gaven we hun twee leesbrillen die we speciaal voor dat doel hadden meegenomen. De volgende dag wuifden ze ons met zakdoeken uit, de brillen trots op hun neus. De prijskaartjes zaten er nog aan, die mochten er onder geen beding af.

„Ons eindstation was een Turkse theetuin in een dorpje aan de rand van Istanbul. Daar werden we enthousiast begroet door vrienden en familie, maar ik vond het vooral heel erg dat het afgelopen was.

„Ik ben niet zo’n natuurfreak, maar ik heb aan die reis een grote liefde voor de natuur overgehouden. Als je zo lang onderweg bent, loop je door de seizoenen heen. Je ziet de gewassen opkomen en geoogst worden. Vooral de tocht over de poesta was niet te beschrijven zo mooi.

„Maar het mooiste was het contact met de lokale bevolking. Ik denk nog vaak aan de vriendelijke mensen die me onderweg begroetten. Ik heb veel foto’s gemaakt en de meeste gezichten op die foto’s herinner ik me als de dag van gisteren.

Renate van der Zee