Het is een bijzondere jongen, en dat is het

Recensie

In de nieuwe roman van J.M. Coetzee gaat het om de strijd tussen lichaam en geest, liefde en rede. Coetzee is eigenlijk een van de laatst levende humanistische schrijvers.

Foto Ian McDonnell/ Getty Images

Het was mevrouw Moes die ons als driejarige peuters leerde te dansen als een boom. Gehuld in groene pakjes van chloorvrij papier stonden we in een kring te bewegen terwijl we onze voeten op de grond moesten houden.

Het had iets te maken met het voelen van oorsprong en geworteld zijn in het heden, hoewel dat toen ongetwijfeld in andere bewoordingen werd uitgelegd. Deze nare herinnering kwam boven bij het lezen van de deze week uitgekomen nieuwe roman van J.M. Coetzee, De schooldagen van Jezus.

De roman – inmiddels geplaatst op de longlist van de Booker Prize – is een vervolg op De kinderjaren van Jezus (2013). Opnieuw volgen we het kind Davíd en zijn ouders Símon en Inés die een nieuw leven moeten zien op te bouwen. In Kinderjaren vonden de drie elkaar om zo samen een ‘gezin’ te vormen in een land dat buitenstaanders welkom heette op voorwaarde dat ze hun geschiedenis achter zich lieten. De gedachte erachter was dat alleen in een land dat gebouwd is op barmhartigheid, in plaats van op emoties, conflictloos kan worden geleefd. Wie de geschiedenis met zich meedraagt heeft immers herinneringen, en die roepen emoties op. Voor de veiligheid is het beter de geschiedenis achter je te laten. Het was ook in dat nieuwe land dat Davíd en Símon hun naam kregen: een nieuw bestaan, een nieuwe identiteit. De vijfjarige Davíd gooit echter roet in het eten door vragen te stellen en hij weigert te accepteren dat 2 + 2 = 4 is in plaats van het priemgetal 3. Behalve emoties leidt non-conformisme ook tot conflicten, dus werd het tijd voor het drietal om te vertrekken zodat de instanties het bijzondere kind – want dat is het – niet konden omvormen tot een standaardproduct.

Priemgetallen

In de Schooldagen zijn we twee jaar verder. Davíd krijgt er steeds meer last van dat hij nog enkele herinneringen heeft aan zijn leven voordat hij Davíd was, maar toch niet weet wie hij is. Símon en Inés zijn niet zijn echte ouders, benadrukt hij aan iedereen die hen verwelkomt. Zijn echte naam kent hij ook niet en dat verontrust hem, het is alsof de voorlijke zevenjarige jongen in een identiteitscrisis belandt.

Bij vlagen lijkt Schooldagen een eerbetoon aan het door Coetzee (1940) bewonderde Austerlitz van W.G. Sebald. In dat boek draait het ook om een joods jongetje dat naam, taal en geboorteland kwijtraakt, met geheugenverlies en identiteitscrisis tot gevolg. Schooldagen is zo bezien te lezen als een tweede generatie migrantenroman: Davíd stelt steeds meer vragen over zijn afkomst, moet zijn draai zien te vinden in een nieuwe wereld en komt in conflict met zijn ‘ouders’ (soms ontaardt dat in wat moeizaam geformuleerde dialogen). Wat dat betreft kan je stellen dat Kinderjaren eigenlijk een eerste generatie migrantenroman is.

In Schooldagen belandt het drietal in het provinciestadje Estrella, dat bekend staat om zijn academies. Een daarvan is de dansacademie waar Davíd terecht komt en ontdekt dat sterrenkunde en dans samengaan. Het is de bedoeling om getallen te laten neerdalen van waar ze verblijven, de zogeheten oorsprong. Dat kan alleen bereikt worden door te dansen. De danslerares legt het als volgt uit: ‘Zoals we weten, laten we ons voormalige bestaan achter ons vanaf de dag dat we in dit leven arriveren. We vergeten het. Maar niet helemaal. Sommige overblijfselen van ons voormalige bestaan blijven intact: geen herinnering in de gebruikelijke zin des woords maar wat we schaduwen kunnen noemen. Daarna, als we gewend raken aan ons nieuwe leven, vervagen zelfs die schaduwen, totdat we onze oorsprong volledig vergeten zijn en accepteren dat wat onze ogen zien het enige leven is dat er is.’

Geen Plato, maar dans brengt de oplossing, meent de lerares met de toepasselijke naam Ana Magdalena, want woorden zijn ontoereikend. Op een handvol woorden na, waarvan de ‘namen van de getallen uno, dos, tres, de voornaamste zijn’. De jongen leert de priemgetallen dansen, terwijl zijn ‘ouders’ hem steeds minder gaan begrijpen. De lichamelijke beweging moet het verstandelijke vervangen.

Verbeelding en uitbeelding komen zo tegenover realiteit en logica te staan. Doordat de realiteit echter steeds verder de school binnendringt, wordt die tweedeling omgezet in een strijd tussen hartstocht en rede.

Het tot leven brengen van herinneringen, het belang van liefde met alle consequenties van dien – kortom de ontembaarheid van de menselijke geest, dat is waar het opnieuw om draait in deze roman. Die thematiek is al aanwezig vanaf Coetzee’s debuut Schemerlanden (1974) waarin het ook al gaat om de vraag welke rol het lichaam speelt in het koloniseren van de geest. In de migratieromans Langzame man, Kinderjaren van Jezus en Schooldagen van Jezus wordt die vraag gekoppeld aan het verhaal van Jezus, waarbij het bijbelse verhaal vooral een metafoor is voor de gespannen relatie tussen barmhartigheid en liefde.

In Schooldagen blijft van barmhartigheid weinig over. Oudere dames die gecharmeerd zijn van de bijzondere jongen en daarom Davíds opleiding betalen, trekken uiteindelijk hun handen van hem af. De passionele daad die gepleegd wordt door een museumsuppoost wordt bestraft door de rede: de man moet een kliniek in en daar net zo lang blijven totdat er een verklaring is gevonden voor zijn daden. Een wreder lot kan hij niet bedenken. Davíds hang om mensen tot leven te wekken wordt onmogelijk verklaard, hij wordt steeds minder begrepen. Behalve dan door Símon, zijn semi-vader, die uiteindelijk in een prachtige slotscène de lichamelijkheid verkiest boven de geest. Daarbij blijft in het midden wat of wie nu uiteindelijk echt wint: Davíd die met Don Quichot onder zijn arm loopt alsof het zijn bijbel is, of Símon die brieven vol waarheid in bezit heeft over de museumsuppoost.

In een van de brieven aan de psychoanalytica Arabella Kurtz die vorig jaar zijn verschenen (Het goede verhaal), koppelde Coetzee de verhouding tussen werkelijkheid en geest aan Cervantes’ meesterwerk: ‘Datgene wat hij verzint kan interessanter zijn dan de werkelijkheid, en we zijn (zoals je zegt) misschien beter in staat mensen als Quichot weer geestelijk gezond te maken als we een tijdje meegaan in hun verhalen, doen alsof we geloven dat ze waar zijn. Desondanks zou ik me ertegen verzetten als Quichots verhaal over de reus als wat voor waarheid dan ook werd aangemerkt.’

De romanpersonages van J.M. Coetzee zijn voer voor psychologen. Reden voor de Britse psychotherapeut Arabella Kurtz om de romans van Coetzee en de schrijver zelf op een papieren bank te leggen: We moeten de ficties ontmaskeren

Australië

Die hele zoektocht naar het belang van de redelijkheid tegenover lichamelijkheid maakt Coetzee tot misschien wel een van de laatste humanistische schrijvers. In zijn meeste romans gaat lichamelijkheid samen met ontluistering. De een leert de wereld kennen terwijl haar kankergezwel groeit (IJzertijd), een ander onthoudt de mensen zijn waarheid door geen tong te hebben (Foe), of wordt geknecht door marteling (Wachten op de barbaren); de witte ervaart het einde van een tijdperk door verkrachting (In ongenade), etc.

De koppeling van macht aan lichamelijkheid krijgt in de romans die Coetzee schreef na zijn verhuizing naar Australië minder directe nadruk, maar is nog steeds aanwezig. Het gaat steeds meer om de bijna onmogelijke combinatie van rede en liefde. Hoe die twee te verenigen, met behoud van de eigen wortels, dat is dan de blijvende vraag – ook in deze fascinerende roman. Dat je dat niet oplost met een boom in chloorvrij papier is zeker.