Een gedicht is geen gecodeerde boodschap

Drie misverstanden over poëzie

Er bestaan over dichtkunst nog veel misverstanden. Hoog tijd om de drie hardnekkigste aan te vechten.

De laatste jaren maakt poëzie steeds meer deel uit van de wereld: er is een Dichter des Vaderlands, programma’s op radio en tv hebben een huisdichter en bloemlezingen verkopen opeens. Poëziefestijnen als Poetry International en Dichters in de Prinsentuin trekken hordes bezoekers en festivals als Lowlands en de Zwarte Cross hebben standaard dichters in hun programmering opgenomen. Er zijn steeds meer kansen om kennis te maken met gedichten, maar getuige de vragen die ik krijg na lezingen over gedichten en optredens zijn er hardnekkige veronderstellingen die sommigen ervan weerhouden de verskunst echt een kans te geven. Tijd om de drie hardnekkigste aan te vechten.

1. Veronderstelling: Je moet eerst alles van poëzie weten om haar te kunnen waarderen

Ik kom vaak mensen tegen die denken dat je een studie moet hebben gedaan om iets over gedichten te mogen zeggen, laat staan om er wijs uit te kunnen worden. Dat is onzin: met wat boerenverstand kom je een heel eind. Een gedicht is geen gecodeerde boodschap. Het is een andere stijl van communiceren dan een krantenbericht, dat is alles.

Neem bovenstaande tekst van Maarten van der Graaff. Je kan in dit fragment een lofzang lezen op de levensweg die een linkse Nederlander van gegoede komaf kan volgen. Gymnasium, bij de NOS werken, buigen naar de eisen die de samenleving stelt. En vervolgens dromen van een Arcadië, van een utopie, waar iemand een boot koopt. Om weg te varen? Of gaat het hier over bootvluchtelingen? Afhankelijk van je invalshoek, lees je telkens nieuwe dingen. Daarvoor hoef je echt geen sluitende interpretatie te hebben van de tekst. Het gaat om de luikjes die opengaan, bijvoorbeeld door de frictie die ontstaat door de combinatie van bepaalde betekenissen, zoals in dit fragment, waarin wordt geschreven dat gymnasia ons emanciperen en we ons vervolgens toch buigen. Deze regel lijkt zichzelf tegen te spreken maar ontketent tegelijkertijd nieuwe interpretaties.

Vertrouw erop dat het soms ook de bedoeling kan zijn dat je gedicht niet meteen vat. Dat het je aan het nadenken zet over zogenaamde vanzelfsprekendheden. In poëzie is er soms een redeneertrant die alledaags begrijpen ontstijgt. Er is, om het met T.S. Eliot te zeggen, naast logica ook nog zoiets als intuïtieve kennis. Je weet dat het werkt, nog voor je het begrijpt.

2. Veronderstelling: Optredens zijn leuk maar eigenlijk moet je een gedicht op papier lezen

Vergeleken met twintig jaar geleden zijn er tegenwoordig ontzettend veel plekken waar poëzie wordt voorgedragen. Bovendien is op veel muziekfestivals poëzie in de (rand)programmering opgenomen: Zwarte Cross bijvoorbeeld, en ook op Lowlands volgend weekend, waar onder andere de dichters Ilja Leonard Pfeijffer en Erik Jan Harmens het podium zullen betreden. Wanneer ik dit blije feit aan derden vertel, krijg ik soms de vraag waarom je naar poëzie zou luisteren, als je haar gewoon kan lezen.

Omdat een gedicht dat je leest iets geheel anders is dan een gedicht dat je hoort. De dichter kan zijn intonatie veranderen, stiltes inlassen en je zo vervoeren met zijn stem. Een voordracht kun je niet direct teruglezen. Je weet niet hoe de regelafbrekingen lopen. Soms kun je door een regel zo gegrepen zijn, dat je de daaropvolgende regels niet eens meekrijgt. En dat is niet erg. Een gedicht dat je live hoort, is het geschenk van het moment. Er kunnen accenten worden gelegd en verlegd.

Wat nou als Gorter zijn beroemde vers ‘zie je ik hou van je’ dreigend had voorgedragen? Dan was het een ander verhaal geworden dan wanneer het op papier was blijven staan. Bovenstaand gedicht van Erik Jan Harmens kan verschillende manieren worden voorgedragen waardoor er tientallen interpretaties zijn.

Een dichter die goed voorleest doet meer dan gewoon reproduceren: er ontstaat ter plekke iets nieuws. Net zoals een orkest een oud stuk van een nieuwe interpretatie kan voorzien, kan een dichter dat met poëzie.

3. Veronderstelling: Een goed gedicht is mooi

Op een bekende vakantiewebsite werd het uitzicht vanaf een of andere Griekse rotsformatie ‘poëtisch’ genoemd, en daarmee raken we aan een van de meest belemmerende aspecten van ‘poëzie’. Het woord zelf dwingt al een mening af: ‘poëtisch’ betekent in de volksmond doorgaans zoiets als ‘mooi’. Ik heb daardoor weleens de vraag gekregen waarom in sommige gedichten zo weinig schoonheid zit. In een gesprekje achteraf bleek dat daarmee vooral zonsondergangen, vlinders en bedampte wouden werden bedoeld. Sommige mensen kunnen boos worden als dit soort esthetische versieringen in het gedicht ontbreken, en ik vrees dat er al helemaal stoom uit hun oren komt als ze bovenstaande tekst lezen en ze opeens die kloten in de wasbak ontdekken.

Ik ben in ieder geval veel lezers tegen gekomen die boos werden als een gedicht iets anders wilde zijn dan ‘mooi’. En dat is zonde, want zo loop je echt veel mis. Het eerder aangehaalde gedicht van Maarten van der Graaff bevat weinig romantische tierelantijntjes. Het wil ook niet mooi zijn. Je hoeft het als lezer niet eens mooi te vinden: je hoeft alleen iets te vinden, en dat zelfs niet eens altijd: je hoeft het alleen maar te ondergaan. Er gebeurt vanzelf wel iets.

Als we eraan voorbijgaan dat een goed gedicht meer kan zijn dan alleen mooi, gaat er een wereld open. Je mag opeens zelf bedenken wat je ervan vindt, wat de woorden en beelden in je losmaken. Bovendien is de moderne Nederlandse poëzie zo divers dat je echt niet alle gedichten mooi of goed kunt vinden. Daarvoor zijn er te veel soorten, te veel smaken.

Een gedicht kan veel meer zijn dan alleen knap klankwerk of een opeenstapeling van oogstrelende beelden. Het kan lekker tegendraads zijn, zoals dit gedicht van Tjitse Hofman. Hier viert meerlagigheid hoogtij: worden de kloten letterlijk in de wasbak gehangen? Hoe kan je dan nog fluiten? Is hier sprake van een onenightstand? Of een break-up? Hoe moeten we de titel opvatten? Je kan op basis van wat er staat, naar zoveel meer zoeken dan slechts schoonheid. Zeggen dat poëzie alleen maar mooi moet zijn, is heel veel moois missen.

    • Ellen Deckwitz