De geur van vers bloed is minder erg dan ik gedacht had

De roman De jungle van Upton Sinclair speelt zich af in de slachthuizen van Chicago aan het begin van de twintigste eeuw. De arbeidsomstandigheden van de werknemers, veelal immigranten, zijn erbarmelijk en Sinclair schrijft dan ook: „Het is een wonder dat er niet meer mensen dan vee werden geslacht.” Aan het einde van de roman 

©

De roman De jungle van Upton Sinclair speelt zich af in de slachthuizen van Chicago aan het begin van de twintigste eeuw. De arbeidsomstandigheden van de werknemers, veelal immigranten, zijn erbarmelijk en Sinclair schrijft dan ook: „Het is een wonder dat er niet meer mensen dan vee werden geslacht.” Aan het einde van de roman gloort er voor het lompenproletariaat de hoop van het socialisme.

Het socialisme heeft gezegevierd, zeker in Nederland. De werknemers van Bob Bakker (Abattoir Noord-Holland) lijken eerder vrienden dan werknemers; verwarring tussen vee en mens hoeft niet meer te bestaan.

„Na de oorlog,” zegt Bob, „hebben we er alles aan gedaan de bio-industrie te creëren, want we wilden nooit meer honger. Nu proberen we dat af te breken. Waarom liggen sommige mensen wakker over dieren? Omdat de mensen geen honger meer hebben. Als je moet kiezen tussen een tulpenbol en een speklapje kies je het speklapje.”

Ik knik. Toen het socialisme in grote delen van het Westen gewonnen had, kwam de gedachte dat er ook een soort socialisme voor het vee nodig was.

Het papierwerk is gedaan. De levende dieren zijn grotendeels geschikt verklaard voor de slacht. Straks zullen de kadavers worden gecontroleerd. „Vanuit de overheid wordt het niet bevorderd dat ik hier mijn werk doe,” zegt Bob. ‘Ze sturen controleurs om te controleren of de controleurs van de controleurs hun werk hebben gedaan.’

We gaan naar beneden. De koeien zijn vandaag al aan de beurt geweest, we gaan verder met de varkens. Er staat een biggetje in het kleine hok waar hij verdoofd zal worden, oftewel hersendood gemaakt. „Het is belangrijk dat het hart nog blijft kloppen,” zegt Bob. „Anders komt het bloed er niet goed uit.”

De zoetige geur van vers bloed is minder erg dan ik had gedacht. „De varkens verdoven we niet met het schietmasker,” zegt Bob. „Want daarvan krijgen ze stuiptrekkingen en daardoor puntbloedingen. Van die rode puntjes in het vlees. Vindt de consument niet fijn.” Bob pakt de elektrocuteertang. De tang geeft een piep als het varken hersendood is.

Bob zet de tang kundig op het hoofd van de big, bijna met liefde zou ik willen zeggen. Door iemand als Bob zou ik ook willen worden geslacht. De big gaat aan een haak, zijn hals wordt snel opengesneden. Even zijn er nog wat stuiptrekkingen.

„Hij heeft geen bewustzijn meer,” zegt Bob, „dat zie je aan de ogen.”

Wordt vervolgd

Schrijver Arnon Grunberg werkt veertien dagen in slachthuizen en doet daarvan dagelijks verslag.

Rectificatie: In deel 1 van deze serie noemde ik Bob Bakker ten onrechte Bob de Jong. Dit deel is meegelezen door Abattoir Noord-Holland en gecontroleerd op feitelijke onjuistheden.