Wat dat te gaat

Ongewoon woord op de voorpagina van deze krant eergister: nono. Het woord kwam voor in dit citaat: „Met een waarschuwing aan de Turken zouden de Russen inzage geven in hun technische middelen om het Turkse leger af te luisteren. Gewoonlijk is dat voor geheime diensten een absolute nono.”

In de online editie stond „een absolute no-no” met verbindingsteken, zoals het hoort, maar in de gedrukte krant ontbrak dat, waardoor het er nog vreemder uitzag, zeker in deze context.

No-no (niet te verwarren met no-go) komt oorspronkelijk uit het Amerikaans. Volgens de Oxford English Dictionary is dit zelfstandig naamwoord in 1942 voor het eerst aangetroffen. Zelf ken ik het vooral uit de kindertaal: dat wil zeggen, uit de taal die ouders tegen kinderen spreken („That is a big no-no”, dat mag je écht niet doen). Het bovenstaande citaat toont aan dat het veel breder wordt toegepast.

In deze krant wordt no-no slechts zelden gebruikt. Ik vond het onder meer in 2014 („Het tonen van engagement is een big no-no”) en in 2011 („De Nederlandse woordvoerder van Wilders dwong mij vijf pagina’s uit mijn kladblokje te scheuren; dat is een absolute no-no hier in Canada”). Zoals deze voorbeelden al laten zien, staat er meestal een bijvoeglijk naamwoord voor, om de betekenis te versterken: iets is een big, een grote of een absolute no-no. In mijn oren blijft het heel kinderlijk klinken.

WAT DAT TE GAAT. Een lezer wees me op een opmerkelijk taalverschijnsel dat ik het best kan illustreren met enkele voorbeeldzinnen van internet. Voorbeeld één: „Dus wat dat te gaat zou ik gewoon lekker voor Frans kiezen als bijvak en misschien economie.” Voorbeeld twee: „Ik vind het heerlijk om in de zomer vroeg op de staan en in de tuin te ontbijten in het zonnetje; ik denk dat ik wel een ochtendmens ben wat dat te gaat.”

Voor de goede orde: op internet zijn nog veel meer voorbeelden te vinden. Kennelijk is de uitdrukking wat dat aangaat (‘wat dat betreft’) niet meer bij iedereen bekend. Bovenstaande voorbeelden komen van jongeren.

PROFETENKAMERTJE. Een lezer stuitte in een oud boek op het woord profetenkamertje. Wat betekent het en waar komt het vandaan? Het antwoord is onder meer te vinden in het Woordenboek der Nederlandsche Taal, het wetenschappelijke woordenboek van het Nederlands, dat online te raadplegen is (zie: http://gtb.inl.nl). Een profetenkamertje is een klein logeervertrek voor een doortrekkende gast. Ook wordt het gebruikt voor ‘zolderkamertje’.

Volgens het Oude Testament verbleef de profeet Elisa geregeld bij welgestelde mensen in het dorp Sunem. Om hem ten dienste te zijn, lieten zij op het dak van hun huis een klein kamertje bouwen: het profetenkamertje. „Laten we op het dak van ons huis”, luidt de tekst in De Nieuwe Bijbelvertaling (2 Koningen 4:10), „een kamer voor hem maken en daar een bed, een tafel, een stoel en een lamp neerzetten, dan kan hij zich daar terugtrekken als hij bij ons komt.”

Ik vind profetenkamertje een prachtwoord, maar je leest of hoort het zelden meer. Wellicht iets voor het ‘Gezelschap van Geadopteerde Vergeetwoorden’ van het onvolprezen radioprogramma De Taalstaat.

Ewoud Sanders schrijft wekelijks over taal. Twitter: @ewoudsanders