Veel praktiseren, dan ontstaat een eigen stem

Recensie

Een jaar na de dood van James Salter (1925-2015) is er een serie lezingen, een ode aan de literatuur, gebundeld. Aan de hand van zijn favoriete auteurs – van Flaubert tot Faulkner – onthult hij wie hem hebben gevormd.

De verschijning, drie jaar geleden, van James Salters roman All that is (Alles wat is), was om verschillende redenen opzienbarend literair nieuws. Niet alleen was de auteur toen 88 jaar oud, en was het zijn eerste roman in meer dan dertig jaar, het bleek ook nog eens het werk van iemand die op hoge leeftijd niets van zijn creatieve kunnen had verloren.

Ruim een jaar later overleed hij, enkele maanden nadat hij aan de Universiteit van Virginia nog een serie lezingen had gehouden onder de titel The Art of Fiction. Die lezingen zijn nu gebundeld in een gelijknamig, bescheiden, maar mooi uitgegeven boekje dat we als een dierbaar afscheidscadeau aan zijn lezers en een dito coda aan zijn schrijverschap kunnen koesteren.

Salter schreef zijn drie lezingen geheel in de stijl van zijn literaire oeuvre: ogenschijnlijk associatief, met wat inleider John Casey ‘zijn perfect getimede abruptheid’ noemt. Zijn essayistische opinies formuleert hij bescheiden, en vult hij aan met herinneringen aan collega’s en veel bespiegelingen achteraf over zijn eigen schrijverschap. ‘Schrijven doe je niet alleen aan je bureau,’ deelt hij uit ervaring mee. ‘Je doet het ook elders, draagt het boek met je mee. Het boek is je deelgenoot, je bent alert op wat zich kan aanhechten.’

Salter behandelt diegenen die hij als zijn literaire helden beschouwt, en daar zijn geen echt verrassende namen bij. ‘De schrijvers die ik bovenaan plaats zijn Nabokov, Faulkner, en Saul Bellow en Isaac Singer – ik plaats de laatste twee bij elkaar vanwege de kwaliteiten die ze delen.’ Daarnaast noemt hij, al dan niet beknopt, Babel, Flaubert, Maupassant, Hemingway, Balzac, Dreiser, Céline. Als hij schrijft: ‘De schrijvers van wie ik houd zijn zij die in staat zijn van dichtbij te observeren’, zal menig lezer meteen aan James Salter zelf denken, de auteur met de intussen uit alles herkenbare stijl. ‘Je kunt zeggen dat je een eigen stijl hebt als een lezer, na enkele regels of een deel van een pagina gelezen te hebben, herkent wie de schrijver is.’

Toch verkiest hij het woord ‘stem’ boven ‘stijl’. ‘Ze zijn niet precies aan elkaar gelijk. Stijl is een voorkeur, een stem is bijna generisch, absoluut distinctief. Niemand klinkt als Isak Dinesen, Raymond Carver of Faulkner.’ Hij benadrukt dat al zijn favoriete schrijvers hun werk eindeloos herschreven. ‘Wanneer je begint als schrijver heb je gewoonlijk nog geen stem. Je bent doorgaans beïnvloed door of aangetrokken tot een gearriveerd auteur, iemand wiens boeken en aura je verbluffen. Je probeert te doen wat hij doet. Hoe hij ook naar dingen kijkt, jij doet hetzelfde. Maar geleidelijk aan wordt de band zwakker, en word je aangetrokken door andere schrijvers, minder intens en je eigen schrijven verandert, naarmate je praktiseert en het moment komt waarop je geheel als jezelf schrijft, klinkt.’

The Art of Fiction zal wel nooit hét handboek worden waar leerlingen aan de schrijversvakscholen en creative writing-cursussen hun inspiratie uit halen, maar daarvoor is het ook niet bedoeld. Daarvoor is het te beknopt, zijn de raadgevingen te spaarzaam en te breed en hebben de drie lezingen een te hoog memoire-gehalte.

Maar je kunt het boekje ook op een andere manier lezen, als een eerbetoon aan de literatuur van een man die in 1957 een veelbelovende carrière als gevechtsvlieger opgaf om zich te wijden aan wat zijn levenslange passie werd. Een auteur die zich pas laat in zijn loopbaan van de dubieuze reputatie een writer’s writer bevrijd wist, en uiteindelijk een betrekkelijk klein, maar wondermooi oeuvre naliet.