Toen de beverhandel opdroogde was het gedaan

Ze woonden in dorpen, verbouwden maïs en dreven handel. Bizon jagen en oorlogvoeren deden ze ook, maar vooral als aanvulling op hun dieet en noodzakelijk kwaad. Kortom, de Mandan van Noord-Dakota beantwoordden niet aan het stereotype van de prairie-indiaan dat in de populaire cultuur, in tegenstelling tot inheemse bevolkingen zelf, nog steeds onuitroeibaar lijkt.

Toch namen de Mandan eeuwenlang een sleutelpositie in aan de rand van de Amerikaanse Great Plains, waar ze, vermoedelijk rond de Europese Middeleeuwen vanuit het Mid-Westen naar toe trokken. Ze spelen een belangrijke rol in de reisverslagen van de Lewis en Clark-expeditie (1804-1806), nadat de VS het gebied verwierf. Dertig jaar later waren ze, door een nieuwe epidemie, vrijwel van het toneel verdwenen.

In Encounters at the Heart of the World gebruikt de Amerikaanse historicus Elizabeth A. Fenn de fragmentarische bronnen voor een gedetailleerde reconstructie van hun sociale en economische geschiedenis. Het boek werd bekroond met de Pulitzer Prize voor geschiedenis.

Terecht, want Encounters vult niet alleen een lacune in de kennis over de Mandan, het boek is ook een zeer geslaagd voorbeeld van nieuwe geschiedschrijving van het Amerikaanse Westen. Ruime aandacht voor ecologie en economie maakt plaats voor fixatie op militaire geschiedenis en de frontier. Fenn heeft een fijne pen en betrekt ook zichzelf in haar verslaggeving. Zo schrijft ze ‘niets te hebben’ met godsdienst en, inderdaad, religie en het levensgevoel van de Mandan blijven op grotere afstand dan hun economische activiteiten. Toch getuigt haar stijl van ontzag voor haar onderwerp – en ook dat heeft zijn weerslag op de lezer.

Op hun hoogtepunt vormden de Mandan, in hun dorpen in het stroomgebied van de Missouri, het knooppunt van een handelsnetwerk dat zich uitstrekte van het huidige Mexico tot Canada. Handel werd gedreven met andere inheemse volken – de Mandan waren grootleveranciers van maïs – maar vanaf de zeventiende eeuw ook met Franse en Engelse huidenhandelaren, die metalen voorwerpen en wapens leverden.

Juist hun sleutelpositie op die handelsroutes werd de Mandan wrang genoeg fataal. Toen de beverhandel opdroogde, verschoof de Europese bedrijvigheid westwaarts. Bovendien kwamen de Mandan steeds meer onder druk te staan van vijandige nieuwkomers, zoals de Sioux. Genadeklap waren de dodelijke gasten die Europese en indiaanse handelaren met zich meebrachten: ratten, bacteriën en virussen.

De resulterende epidemieën, in 1781 en 1837-38, richtten een ware slachting aan onder de Mandan – in hun hoogtijdagen vermoedelijk al nooit talrijker dan enkele duizenden – waar ze niet meer van herstelden. Hun nazaten leven in het Fort Berthold reservaat in Noord-Dakota, ver weg van de oorspronkelijke dorpen.