Sportbonden gedragen zich als aanklager, rechter en beul

Opinie Yuri van Gelder is vooral slachtoffer van falend sporttuchtrecht en sportbonden die lak hebben aan rechtsbeginselen. Zij offeren carrières op aan vage normen, willekeur en emotionele overwegingen, menen officier van justitie Wouter Bos en journalist Arno van ’t Hoog.

Yuri van Gelder. Foto ANP / Robin van Lonkhuijsen

Je gaat bijna wensen dat Van Gelder iets veel ergers heeft gedaan dan een ochtend beschonken thuiskomen in het Olympisch dorp. Dat het breken van de regels van Team NL een excuus is voor een snelle aftocht na een ernstiger vergrijp, dat beter niet aan het licht kan komen. Dan is er tenminste een goede reden om deze topsporter weg te sturen.

Het lijkt onwaarschijnlijk. De leiding van Team NL en de top van de turnbond leggen de affaire in de media uit als de steile hopman van een padvinderskamp. Yuri heeft de regels geschonden en hij moet daarom naar huis. Hoe dat exact zit, blijft vooralsnog onduidelijk. Chef de mission Maurits Hendriks heeft het over „overtreding van de geldende waarden binnen Team NL”. Technisch directeur van de turnbond Hans Gootjes spreekt van „het respecteren van onze kernwaarden”.

Er zijn media en commentatoren die meegaan in die redenering: Yuri is dom geweest, hij had beter moeten weten. En Yuri is ‘recidivist’, zoals NRC Handelsblad fijntjes putte uit het vocabulaire van het strafrecht. Wie met iets meer distantie kijkt, ziet echter geen recidivist maar een vogelvrij verklaarde turner, wiens optreden op de Spelen en verdere carrière in een paar uur zijn geknakt. Zelfs al kennen we de feiten niet volledig, de procedure rond de verbanning van de ‘lord of the rings’ schuurt met de meest basale rechtsbeginselen.

Overeenkomst met slechts open normen

Ten eerste is dat het legaliteitsbeginsel: je moet geen straf opleggen zonder voorafgaande strafbaarstelling. Het gaat hier om een fundamenteel uitgangspunt dat willekeur moet voorkomen. Sporters van de Nederlandse olympische ploeg hebben een overeenkomst van sportkoepel NOC*NSF ondertekend. Daarin staan open normen beschreven, zoals: „De topsporter gedraagt zich op een zodanige wijze als van een goed lid van Team NL verwacht mag worden, zowel tijdens de sportbeoefening als daarbuiten en neemt daarbij onder meer, maar niet uitsluitend het gestelde in de IOC Code of Ethics in acht.” In die regels staat geen verbod op een avondje doorzakken.

Ten tweede is uitsluiting van een sporter op basis van algemene formuleringen in strijd met het lex certa-beginsel. Het houdt kort gezegd in dat het vooraf duidelijk dient te zijn welk handelen en nalaten leidt tot aansprakelijkheid, alsmede welke sancties daarop kunnen volgen. De strafbare gedraging en de straf moet kortom met duidelijke termen zijn aangeduid.

Ten derde staat de snelheid waarmee de leiding Van Gelder heeft weggestuurd op gespannen voet met het beginsel van fair trial. Er is een onomkeerbare sanctie opgelegd, zonder tussenkomst van een onafhankelijke (tucht)rechter. Team NL en de turnbond waren tegelijkertijd aanklager, rechter en beul.

De Duitse rechtsgeleerde Radbruch waarschuwde begin vorige eeuw al voor deze onwenselijke samenloop van rollen: „Wer einen ankläger zum richter hat, braucht Gott zum advokaten.”

Verhouding tussen vergrijp en sanctie zoek

Los van het gebrek aan deze rechtsbeginselen, dringt zich de vraag op naar de proportionaliteit van de opgelegde sanctie. Elke verhouding tussen vergrijp en sanctie lijkt zoek. Waarom een onmiddellijk beroepsverbod voor het belangrijkste optreden in vier jaar? Waarom volstonden minder ingrijpende sancties, zoals een geldboete niet? En waarom is niet meer rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden en achtergrond van Yuri van Gelder?

Dat zijn geen vrijblijvende overwegingen omdat Van Gelder een professional is, die zijn beroep niet kan beoefenen buiten de officiële sportbonden om. Hij is geen amateur die elders zijn geluk kan beproeven. Die situatie brengt met zich mee dat het toepassen van rechtsbeginselen in de topsport geen vrijblijvend karakter heeft.

Topsporters vogelvrij in dit tuchtrecht

Ten slotte dringt zich de vraag op of hier überhaupt bemoeienis van een sportbond is gerechtvaardigd. Het gaat hier immers niet om een sport-gerelateerde schending van het fair play-beginsel, maar eerder om zogenoemde fautes privées. Naarmate fautes privées in een verder verwijderd verband staan van de sportieve activiteit – buiten het olympisch dorp, niet aan de vooravond van de finale – ligt zo’n zware tuchtrechtelijke reactie minder voor de hand.

Voormalig minister van Justitie van Agt noemde het tuchtrecht al in 1971 een jungle. Nergens in ons rechtsstelsel heerst groter chaos, dus minder tucht, dan op het gebied van het tuchtrecht. Helaas blijkt deze observatie een halve eeuw na dato voor het sporttuchtrecht nog steeds actueel. Topsporters lijken nog altijd vogelvrij.

Wouter Bos is officier van justitie en Arno van ’t Hoog is freelance journalist.