Podiumkunsten moeten het ook van oude rotten hebben

De recente verdeling van subsidies voor de podiumkunst straft de ervaren spelers die geïnvesteerd hebben in hun band met het publiek, betogen en .
Foto iStock

Als de subsidieadviezen van het Fonds Podiumkunsten één ding duidelijk maken, dan is het wel dat het huidige bestel geen goede borging biedt aan een ervaren middenveld dat in continuïteit opereert en een relevante schakelpositie tussen BIS (basisinfrastructuur voor cultuur, het ministerie) en ‘nieuwe’ podiumkunstproducenten inneemt. Belangrijke spelers in het huidige podiumkunstenveld zijn buiten de boot gevallen. Aan de kwaliteit van de aanvragen ligt het niet. Ze kregen vrijwel allemaal een positief subsidieadvies maar worden niet gehonoreerd vanwege ontoereikend budget.

Dit is het geval voor onder meer Orkater, Korzo, Cappella Amsterdam, Theatergroep Suburbia, Danstheater AYA, Jazz Orchestra of the Concertgebouw, Dood Paard, Beumer&Drost, Theater Gnaffel en Matzer. Ze zijn positief beoordeeld maar onder de zaaglijn terecht gekomen omdat de belangrijkste opdracht van het Fonds Podiumkunsten is om te zorgen voor doorstroming, dynamiek en vernieuwing in het podiumkunstenbestel. Het Fonds ‘stimuleert de pluriformiteit van het middelgrote en kleinschalige aanbod en richt zich daarbij op doorstroming, dynamiek en innovatie.’

Dit is ook in de optiek van de Nederlandse Associatie voor Podiumkunsten, de branchevereniging van de professionele podiumkunstproducenten in Nederland, van groot belang voor een vitaal en bloeiend landschap, en dat er veel hoogwaardige nieuwe instroom is, valt alleen maar toe te juichen. Echter, de focus op vernieuwing heeft automatisch tot gevolg dat instellingen die juist staan voor continuïteit en expertise en zo een waardevolle functie vervullen binnen het bestel, minder gewaardeerd worden. Het Fonds kan onvoldoende plaats bieden aan een middenkader dat net zozeer van grote relevantie is. Dit is een direct gevolg van een gecontinueerde bezuinigingspolitiek: de budgetkrapte nekt bovengenoemde instellingen, en met hen vele andere. Dit legt een pijnlijke kloof in het huidige bestel bloot: tussen Fonds en BIS gaapt een gat en als je als goed functionerende instelling daarin terecht komt, heb je een groot probleem. Dat is pijnlijk en onwenselijk en maakt een politieke discussie over de kloof tussen nieuw en dynamisch enerzijds, en basisinfrastructuur anderzijds, heel hard nodig. In het rijksbeleid is geen ruimte (beleidsmatig noch financieel) voor een breed middenveld. Juist deze groep instellingen heeft door de jaren heen een enorme expertise opgebouwd, is artistiek-inhoudelijk absoluut relevant en heeft stevige verbindingen met publiek en afnemers, maar zet niet primair in op alternatieve vormen, content of locaties. Een aantal van deze instellingen wordt nu voortijdig afgeschreven.

Ook geeft het Fonds aan prioriteit te geven aan pluriformiteit ten opzichte van verhoging van de normbedragen, wat onontbeerlijk is voor goed werkgeverschap en arbeidsvoorwaarden. Dit maakt inzichtelijk dat het Fonds ook hierin een scherpe keuze heeft gemaakt. Goed werkgeverschap financieel faciliteren zou betekenen dat nog meer instellingen onder de zaaglijn waren uitgekomen. De keerzijde is dat werkgevers die nu subsidie toegekend hebben gekregen, in veel gevallen ook (weer) zeer scherpe keuzes zullen moeten maken, wat een gezond werkklimaat niet bevordert. Dat is schadelijk voor de professionaliteit. De SER en de Raad voor Cultuur hebben eerder dit jaar in een rapport hierover grote zorgen geuit.

Ergo: de bezuinigingen uit 2012 trekken nog steeds diepe groeven. Een hele generatie die continuïteit en expertise bracht, wordt ontworteld. Om dit te beperken zal de Kamer de 10 miljoen die incidenteel in 2016 is ingezet, structureel moeten maken voor 2017-2020 en een deel reserveren voor het brede middenveld. V

oor de lange termijn moeten ministerie, politiek, Raad voor Cultuur, Fonds, gemeenten en het veld kijken naar een nieuwe structuur die beter recht doet aan dat wat de Nederlandse podiumkunsten vermogen.