De grootste puzzel ooit

Donald Nolet (1975) is dol op codekraken. In zijn debuut Versleuteld, bekroond met de Gouden Strop, voerde hij te ontcijferen geheime radio-opnames op. In zijn tweede thriller, Handschrift van de duivel, wordt de sleutel gezocht naar het zogenaamde Voynich Manuscript. Dat echt bestaande manuscript, in handen van de Amerikaanse Yale University, is een tweehonderd pagina’s tellend geïllustreerd boekwerk, geschreven in een onbekende taal. Het is de ‘grootste puzzel aller tijden’.

De persoon die deze puzzel moet oplossen is Zina Welter. De briljante, Rotterdamse wiskundige heeft een carrière op Wall Street vaarwel gezegd om ‘met een paar idioten half Europa door [te reizen], op zoek naar de betekenis van een obscuur manuscript’. Dat doet ze op uitnodiging van professor Currier, haar voormalig docent toegepaste wiskunde in Princeton. Hij verwacht dat Welter, met een algoritme waarmee ze op Wall Street al furore maakte, succesvol zal zijn. Iets waar hij gelijk in zal krijgen.

Dat gebeurt niet zonder dat Welter, en het groepje ‘hopeloze romantici’, allengs wordt tegengewerkt door verschillende partijen: de Amerikaanse veiligheidsdienst, de Inquisitie en overambitieuze collega’s. Tussendoor leren we meer over de ontstaansgeschiedenis van het zeventiende-eeuwse manuscript.

Dat schakelen tussen eeuwen maakt Handschrift van de duivel met name in het begin wat stroperig. En wat afleidt is de oppervlakkigheid en clichétaal. Welter schrikt iets te vaak zwetend wakker en het Voynich Manuscript blijkt uitsluitend te dienen als eenmalig slot van een kluis. Als de toegangscode eenmaal bekend is, kun je dat slot weggooien. Uiteindelijk wil je wel gewoon weten waar Welters oplossingen toe leiden. Die spanningsboog maakt Handschrift van de duivel tot prima fact-fiction voor in de vakantiekoffer.