‘Bij het woord ‘vluchteling’ gebeurt er iets met mensen’

Interview Saman Amini

Zestien jaar geleden kwam Saman Amini als asielzoeker naar Nederland. Die ervaringen stopt hij in zijn werk als theatermaker, schrijver en zanger. „Het is nodig dat iemand dit verhaal vertelt in het Nederland van nu.”

Saman Amini op de Parade in Rotterdam, afgelopen juni. Foto David van Dam

‘Ik ben geen vluchteling, Planeetgenoot opzoek naar en nieuw bestaan. Buitenlander, buitenbeentje, Buiten fuck you is de naam.’ Toen de van oorsprong Iraanse theatermaker en muzikant Saman Amini (27) in mei zijn nummer Dunne lijn liet horen bij RTL Late Night aarzelde hij even om wéér zijn ‘vluchtverhaal’ te vertellen. De tekst van het nummer spreekt boekdelen. Amini: „Zodra het woord ‘vluchteling’ valt, gebeurt er iets met mensen. Ik zie ze denken: ‘AZC – zielig!’ Dat medelijden vertroebelt, ik wil het niet, daarom ga ik het gesprek erover soms uit de weg.’ Maar recent heeft hij besloten het onderwerp niet meer te omzeilen. „Ik kan het niet half doen’, zegt hij. „Dat is nu eenmaal óók wie ik ben, dat is mijn verhaal.”

Te zwaar voor de Parade?

Het is bovendien een belangrijke bron voor zijn artistieke werk, als acteur/theatermaker, en als schrijver en zanger van eerlijke, kwetsbare, rauw-poëtische rapnummers. Amini speelde in de hitvoorstelling Nobody Home, een deels autobiografische voorstelling over vluchteling zijn in Nederland, en in Jihad, een schoolvoorstelling over racisme en radicalisering. In liedjes als Dunne lijn, It’s Okeey, Maandag en Longen vol gaat het over ongelijkheid, migratie, detentie en de dood. Amini verwerkte ze in de muziektheatervoorstelling Samenloop van omstandigheden, die deze zomer te zien is op de Parade – vanaf 16 augustus weer in Amsterdam. Over de voorstelling in Rotterdam schreef deze krant: ‘De rijke symboliek en aangrijpende inhoud maken van Samenloop van omstandigheden een van de beste voorstellingen die de afgelopen jaren op de Parade te zien zijn geweest.’ Amini: „Tijdens het maken dacht ik wel: is dit niet te zwaar voor De Parade? Maar nee, fuck it, dit is theater, en theater moet laten zien hoe het is. Het is nodig dat iemand zoals ik dit verhaal vertelt in het Nederland van nu.”

Dat verhaal begint op zijn elfde, in een opvangcentrum in Zwolle. Over de tijd daarvoor laat Amini weinig los – uit respect voor zijn ouders: het was hun keuze om te vluchten, zegt hij, ze hadden hun motieven, en het is niet aan hem om die met derden te delen. Tot zijn zeventiende woonde Amini in verschillende AZC’s. En zes weken in een detentiecentrum – „dat betekent dus gewoon gevangenis” – toen de derde asielaanvraag van het gezin was afgewezen. Hij was toen zestien, zijn zusje twaalf. In It’s Okeey rapt hij: ‘Nu heeft die schijt aan het beleid want hier is sprake van een schande/ Dit was het land waar kids nooit in een cel zouden belanden.’ Kort daarop wordt hun aanvraag alsnog goedgekeurd. Amini: „Mevrouw Hendriks van de IND – aan haar heb ik alles te danken. Het is háár naam op onze verblijfsvergunning. Ik zou haar heel graag nog eens willen zien.”

Verhalenverteller

Vóór het detentiecentrum had Amini als boze puber uit het AZC kennisgemaakt met theatergroep DOX. „Ik was als kind al een verhalenverteller, een clown, de grappigste van de klas. Maar ik had nóóit gedacht dat ik acteur zou worden. Dat is te danken aan Stichting Vrolijkheid. Die stichting organiseerde activiteiten voor jongeren uit AZC’s, tegen de verveling. Dus toen ik op een vrijdagavond mee kon naar Utrecht voor een theaterworkshop deed ik dat – gratis treinreis, gratis eten, even weg uit het AZC, meer reden had ik niet; ik wist niet eens wat theater wás.” Een vriend van hem kreeg ruzie en werd weggestuurd, en Amini was solidair: hij weg, dan ik ook weg. „Maar ná het detentiecentrum kwam ik er weer. Artistiek leider Sassan Saghar Yaghmai van DOX zag me en zei: ‘Jij bent veranderd. Misschien moet je maar eens auditie komen doen.’ Ik ben in die detentie denk ik versneld volwassen geworden. Het schoof me een jaar of twee naar voren.” Amini had talent en hij was gemotiveerd, zegt hij: „Extreem! Eindelijk had ik een doel, na als asielzoeker zo lang aan de zijlijn te hebben gestaan.”

Via DOX belandde hij bij een auditieronde voor de Toneelacademie Maastricht. „Ik moest iets doen uit Romeo en Julia, tekstueel veel te ingewikkeld voor een jongen die acht jaar in Nederland woonde. Maar ik ging ervoor, helemaal. Toen ik hoorde dat ik was aangenomen, heb ik gehuild van geluk. De carrière die ik nu heb, heb ik te danken aan Stichting Vrolijkheid en Arash Yaqin. Dat zeg ik ze nog vaak.”

Geen schaamte

Amini werkt intussen ook al zeven jaar voor de Stichting. Ieder jaar geeft hij workshops aan jongeren in AZC’s, recent nog in Zeist. „Mijn doel is om die jongeren uit hun isolement te halen. Om ze te laten zien wat er kan. Die asielprocedure mag niet hun leven bepalen. Het is een strijd, en die kan je helemaal opvreten. Ik heb gezien hoe in vier, vijf jaar het leven uit mensen kan worden gezogen. Maar wel of geen vergunning bepaalt niet je identiteit.” Hij adviseert zijn leerlingen altijd om niet te veel in hun eigen groepje te blijven hangen. „En ik hamer op taal. Léér die taal! Liever vandaag dan morgen.”

De Maastrichtse toneelopleiding heeft, anders dan die van Arnhem en Amsterdam, een sterke focus op tekst en taal. „Een van de eerste dingen die ik zelf op school hoorde was: de intentie is goed, maar we verstaan je niet!’ In het begin was ik echt in paniek: wat zegt hij, ‘paradox’, wat is dat? Wat betekent dat, ‘abstract’? Maar na het AZC kon mij niks meer gebeuren. Toen die motor eenmaal gestart was, was er niets wat mij nog tegenhield, ook een taalachterstand niet. Ik heb keihard gewerkt. Ik kocht een boek en daarin schreef ik alle woorden op die ik hoorde en niet kende. Dat boek heb ik nog steeds – het is een bewijsstuk van mijn taalontwikkeling.”

Hij leert snel en is niet bang om hulp te vragen, zegt Amini. „Ik schaamde me nooit. Stak altijd mijn vinger op: wat betekent dat? Een keer vroeg de docent aan de klas: wie wil dat even aan Saman uitleggen? Een woord uit de Ilias, geloof ik. Totale stilte. Zij wisten het ook allemaal niet! Hahaha. Sukkels.” De Nederlandse intonatie maakte Amini zich eigen door Nederlanders ‘heel overdreven’ na te doen. Maar hij heeft een grens: de huig-r. „Daar werd op school heel erg op gehamerd. Maar fuck it, dat ga ik echt niet doen. Ik wil wel als mezelf klinken.”

Bezigheidstherapie

Op de toneelacademie ontwikkelde hij zich ook verder als muzikant. „Daar heb ik echt liedjes leren creëren. In het AZC schreef ik ook al nummers, als uitlaatklep, en bezigheidstherapie – ik maakte heel lelijke beats met het programma Fruity Loops. En ik schreef stiekem ook teksten, maar dat nam ik niet serieus. Er kwam weleens een toffe zin in me op, maar ik durfde niet echt.” Zijn Parade-programma begint hij nu met een van de eerste nummers die hij ooit schreef, op vijftienjarige leeftijd, in het AZC: ‘Een plek waar…’. Lachend: „Vrij naar Tupac. Daar luisterde ik toen veel naar. En opeens schreef ik zestien zinnen. Ik heb nog altijd het gevoel dat de liedjes mij komen halen, in plaats van andersom. Ik werk vanuit flow en ritme, ga van vorm naar inhoud. Soms vind ik per ongeluk opeens een perfecte zin. Bij muziek kan iets magisch gebeuren, als opeens alle noten en de tekst op de goeie plek vallen. Dat geeft een onbeschrijflijke high.”

Kiezen tussen muziek en theater wil en hoeft hij niet. Hij vertelt verhalen, en die komen in de vorm van muzikale voorstellingen en theatrale liedjes. Hij beschouwt zichzelf als een eigentijdse troubadour, in de traditie van Bram Vermeulen. Met dit verschil: „Ik wil totaalcomposities creëren, waarin theater, muziek en visuals samenkomen. In mijn Parade-programma spelen animaties ook een belangrijke rol. Dat elk aspect wordt ingezet om een verhaal te communiceren, zoals bij Kendrick Lamar, of Stromae, inspireert me. Fok, als ik genoeg geld had, weet ik precies wat ik met kostuums zou doen.”

Menselijke relevantie

In zijn werk wil hij kunst en commercie combineren, zegt Amini. „Op de toneelschool zeiden ze: kunst moet aan het denken zetten. Tuurlijk, maar dan moeten er wel mensen luisteren. Ik wil een commercieel genre infecteren met artisticiteit. En theater brengen naar Tokkies.”

Sinds het tweede jaar van de toneelschool weet Amini precies wat hij wil, als kunstenaar. „Opeens zag ik het voor me: ik wil eigentijdse verhalen vertellen met een grote menselijke en maatschappelijke relevantie. Ik ben heel gevoelig voor onrecht; dat aankaarten vind ik belangrijker dan voor de tienduizendste keer het dilemma van Hamlet onderzoeken. Toen ik als jongen uit het AZC bij DOX mijn eerste stappen zette in het theater, realiseerde ik me: er zijn oren voor mijn verhaal. Er zijn mensen die het willen horen.”